Kapernaüm en Jeruzalem, eind jaren 30

Het geloof in een gekruisigde en opgestane Jezus begon niet met het Nieuwe Testament. Voordat er verhalen op papier gezet werden, deelden zijn vrienden hun herinneringen aan Jezus. Paulus heeft het daarover: de woorden van de Heer werden aan hem doorgegeven toen hij zich bij de volgelingen van Jezus aansloot. De oudste geschriften die ons 'woorden van de Heer' geven zijn de brieven van Paulus: over het avondmaal, de opstanding en echtscheiding.

Maar er is nog een manier om dichter bij de beleving van de vroegste volgelingen van Jezus te komen. Jezus' vrienden spraken Aramees; een taal die lijkt op het Hebreeuws van de psalmen en de profeten. Het was de volkstaal van het oosten, van Jeruzalem tot Babylon. Natuurlijk, met Griekse kolonisten en Romeinse bestuurders spraken ze Grieks. Maar ze dachten, droomden en woonden in het Aramees. Pas later, toen hun boodschap zich verspreidde naar het westen, schreven ze brieven en verhalen in het Grieks en veranderde Jeshoe’ah of Jeshoe in Jezus en Jochanan in Johannes. Maar het bleef hun tweede taal, gestempeld en bezield door het Joodse origineel. 

Het zijn hun Aramese woorden die opvallen in de Griekse tekst waarin in het Nieuwe Testament geschreven werd. En dan heb ik het niet over bekende leenwoorden zoals amen, hallelujahosanna, manna, satansabbat of synagoge, maar over de bijzondere woorden waarmee ze Jezus en God aanspraken, zoals rabbi en abba, of de uitdrukkingen waarmee ze zich hem herinnerden zoals, maranatha, mammon en raka. Zulke woorden transporteren ons als lezers en de luisteraars naar een andere wereld die niet een-op-een vertaald kan worden naar wat we thuis gewend zijn. Er zitten haast magische uitspraken bij, zoals: Effatha!, Wordt geopend!, tegen de blinde. Talitha kum!, Meisje, sta op!, tegen een dochtertje op haar sterfbed. Door merg en been snijdt het onvergetelijke Eli, Eli, lema sabachthani? aan het kruis: Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten? En dan de bijnamen: Kefas voor Simon Petrus en Boanerges voor Johannes en Jacobus. Sommige tradities waren zo belangrijk dat nieuwe gelovigen ze uit hun hoofd leerden. Sommige Aramese woorden in de brieven en evangeliën hoefden daarom niet eens meer vertaald te worden voor Griekse lezers en luisteraars, omdat ze vanaf het begin deel uitmaakten van de verhalen over Jezus.
Om je een idee te geven van dat eerste herinneren, beschrijf ik hier met de nodige fantasie en sympathie een paar gesprekken rond de maaltijd van Jezus' familie en vrienden. Naast de overleveringen in de brieven van Paulus, bewerk ik daarvoor passages uit de evangeliën met typische Aramese woorden. Niet omdat ik zeker weet dat die passages even oude overleveringen bevatten als de brieven van Paulus, maar zo voorkom ik dat ik passages kies op grond van mijn eigen voorkeur. Ik noem daarbij de namen van de sprekers in het Aramees: Mariamme voor Maria, Jochanan voor Johannes de Doper en voor Johannes de leerling, Simon Kefas voor Simon Petrus en Saul voor Paulus. Stel je eens voor dat jij daar als nieuwkomer bij mag zijn en vragen kunt stellen.

De doop van Jezus in de rivier de Jordaan. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.

Maranatha

1Kor 16:22, 1Thess 4:15, Luc 3:1

Het begon ergens in het 15e jaar van keizer Tiberius, herinnert Mariamme zich. Een paar jaar geleden nog maar. Jochanan stond op in de woestijn.

Jochanan heeft mij gedoopt, vult Andreas aan, op mijn knieën in de Jordaan. Water stroomde gutsend over me heen. Mijn ogen dicht, mijn adem in. En dan kom je boven. Je ogen gaan open, je krijgt weer lucht. De Doper zei: “Het moet anders! Loop niet achter keizers en prinsen aan. God komt het koningschap toe. “Maranatha!” riep hij: De Here komt! Kom, onze Heer! Jeshoe had het er later ook over: “Als de laatste bazuin klinkt, en de Heer uit de hemel neerdaalt, zullen de doden worden opgewekt en de engelen God zullen zijn kinderen verzamelen van de hoeken van de aarde.”

Ik wist niet wat ik me daarbij voor moest stellen, zegt Mariamme. Bedoelde hij dat de Heer weer voor het leger van Israël uit zou gaan, zoals eens in de woestijn? Of bedoelde hij dat wij in de hemel bij hem zouden wonen?
Ik hoorde Jeshoe spreken, zegt Jochanan, en ik voelde dat God bij ons was. Maranatha: de Here ís gekomen.

Rabbi

Mar 9:5, Hand 9:2, 1Kor 11:12, Joh 20:16

Waarom noemen ze ons de mensen ‘van de Weg?’, vraag je.

Hij was mijn rabbi, mijn meester, mijn leermeester, zegt Andreas.
Hij leerde ons zijn ‘weg,’ zijn ‘halakha,’ door samen op te lopen.

Kom en zie, zie en doe.

Doe mij maar na, zegt iemand tegen je, want ik doe Jeshoe na.

Mariamme: ik noemde hem mijn grote meester, rabboeni.
Dat was de laatste keer dat ik hem vast kon houden - maar los moest laten. 

 

Andreas in de 4e-eeuwse catacombe van Thecla, Rome

Abba

Gal 4:6, Rom 8:15Mar 14:36, Mar 1:35, Luc 11:2

Hij leerde ons het Onze Vader. Dat voelde eerst wel vreemd, vertelt Jochanan. We waren meer gewend aan woorden als ‘ha-melech ha-olam:’ God als ‘de koning van de wereld’ of ‘de koning van de eeuwigheid.’ Maar voor Jeshoe was God vooral een liefdevolle vader. De vader die hijzelf moest missen, nadat Jozef gestorven was.
“Abba, vader,” bad hij.

Eens waren we hem kwijt na een hectische dag, vertelt Simon, de broer van Andreas. We vonden we hem op een rustige plek, in de vroege ochtend.
“Waar was je?”, vroeg ik.
“Bij hem.”

“Jullie zijn mijn zusters en broeders,” zei hij en hij leerde ons een nieuw gebed. Ons eerste woord werd Abba. Alsof we opnieuw geboren waren. Alsof we opnieuw leerden ademen.
Dochters en zonen van de allerhoogste.

Raka!

Mat 5:22, zie (Herziene) Statenvertaling

Deze woorden moesten we uit ons hoofd leren, zegt Andreas:
“Volgens de wet moet een moordenaar voor de rechter gebracht worden. Maar ik zeg jullie dit: als je boos wordt op je broeder ben je al strafbaar. Noem je hem Raka!, ‘leeghoofd,’ dan hoor je voor de Hoge Raad te komen en te branden in de hel. Je moet volmaakt zijn, zoals je hemelse vader volmaakt is.”
Jochanan: ik vond het een raar idee, dan kun je het nooit goed doen. Maar misschien is dat wel wat hij bedoelde, dat je nooit moet denken dat er een norm is die de vromen van de zondaars scheiden kan.
Hij was mijn broer, zegt Jacob, je wil niet weten wat hij me noemde als ik moeder zat te sarren.

Talitha kum!

Mar 5:41

Eerst mocht hij nog spreken in de synagoge, zegt Simon. Maar toen genas hij daar iemand op de sabbath. Er kwam kritiek op hem, van de religieuze leiders en vanuit de politiek - Jochanan de Doper zat niet voor niets gevangen, zei Jaïr toen hij hem buitensloot. Daarna kwamen we samen in het huis van mijn schoonmoeder. Zij is de eigenaar van onze boot.
Jaïrs dochtertje werd ziek. “Ze ligt op sterven,” smeekte hij Jeshoe, kom toch mee en leg haar de handen op!
Het huis was vol van huilende mensen. “Ze is dood,” zeiden ze.
“Ze slaapt,” zei hij.
Ze lachten hem uit, maar hij joeg hen het huis uit.

Ik was erbij, zegt Jochanan – niet de Doper maar Jeshoes neefje en leerling. Met haar vader en moeder stonden we bij haar bed. “Talitha, kum!”, zei hij. Meisje sta op! Ze sloeg haar ogen op en kwam overeind. Ze wankelde.
“Geef haar wat te eten,” zei hij.

Het mogelijke huis van de schoonfamilie van Simon Petrus in Kapernaüm, een vissersstadje van zo’n 1500 inwoners aan het meer van Galilea. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.

Effatha!

Mar 7:34

We kwamen door de Golan.
“Leg hém maar eens de handen op,” zeiden de mensen daar.
De man was een heiden. Maar hij was ook een mens die niet kon horen en nauwelijks kon spreken. Ze lachten hem uit en misbruikten hem om Jeshoe te beschamen. Maar wat kun je doen als mensen je niet vertrouwen?
Jeshoe deed niets. De mensen dropen af. Toen nam hij de man bij de hand en we liepen het dorp uit.
Hij keek de man in de ogen. De man keek hem in de ogen. Toen stak Jeshoe zijn vingers in de dove oren. Hij spuugde en beroerde de tong.
“Effatha!”, zei hij, Wees geopend!

Mammon

Luc 16:8, Mat 6:24

Andreas vertelt je dit verhaal: Er was een econoom die werkte voor een rijk man. Toen hij zijn baan dreigde te verliezen, riep hij de arme pachters van zijn baas. Ze vervalsten de facturen en halveerden de bedragen die ze nog moesten betalen. Toen hij ontslagen werd, gaven ze hem een plek. De mensen spraken er schande van.
“Ik vind het wel slim,” zei Jeshoe.
Toen spraken de vromen schande van hem.
Hij lachte uitnodigend: “Hij heeft het geld van een ander gebruikt om goed te kunnen leven na dit leven. Dat doen jullie toch ook?”
“Je kunt niet twee heren dienen,”” voegde hij eraan toe. “Wie wordt het voor jou: de mammon of God?”

Wat bedoelde hij?, vraag je.
Dat geld, mammon, een afgod wordt als het de maatstaf is van ons succes of onze waarde. Je moet het gebruiken om vrienden te maken voor de eeuwigheid. Als je dat al niet snapt wanneer het om zoiets banaals als geld gaat, hoe ga je dan om met de grootste schat die God je heeft gegeven? 

Kefas

Gal 1:18, 1Kor 1:12, Joh 1:42, Mat 16:18

“Hij noemde jou Kefas,” zeg je tegen Simon.
Dat was in de bergen van de Libanon, na de executie van Jochanan. Hij leek te worstelen met alles wat er gebeurd was. Hij vroeg ons wat zijn taak was: dopen, profeteren, genezen?
“Jij bent Gods gezalfde, zoon van de Levende God” zei ik toen.

En toen noemde hij je Kefas? Dezelfde naam als de hogepriester toen, Kajafas?
Simon knikt, “Shalom, Simon zoon van Jona,” antwoordde hij, “jij bent mijn Kefas, mijn rots.” Maar vervolgens zei hij dat we terug moesten naar Jeruzalem, al zochten ze zijn dood. Gods gezalfde zou sterven in Jeruzalem, zoals zoveel profeten.
“Dat mag je niet zeggen,” riep ik uit, “God zal dat nooit laten gebeuren!”
Toen noemde hij me Satan.

Boanerges

Mar 3:17, Luc 9:54

Het was zover, vertelt Jakob, de broer van Johannes en de zoon van Zebedeüs. We trokken op naar Jeruzalem. Onderweg zocht hij een slaapplek in een dorp van Samaritanen, maar we mochten er niet in. “Geen pelgrims voor Jeruzalem,” zeiden ze. Geen onruststokers dachten ze. Jochanan was verontwaardigd: “Weet je wel wie je afwijst?” riep hij, “God zal dit gat met donder en bliksem vullen!” Ik lachte om mijn jonge broertje maar Jezus reageerde scherp. Boanerges, noemde hij ons, zonen van de donder, gedreven door woede.
“We vragen het in het volgende dorp,” zei hij.

Niet scheiden

1Kor 7:10, Mat 19:1-11

Hij kon ook strenger zijn dan de rabbi’s, vertelt Mariamme. Herodes Antipas trouwde de weduwe van zijn broer Filippus en stuurde zijn Arabische prinses na dertig, veertig jaar huwelijk de laan uit. Zijn goed betaalde schiftgeleerden keurden het goed maar haar vader was woedend en verzamelde zijn soldaten voor de strijd. Jochanan protesteerde tegen Antipas en het kostte hem zijn hoofd.
“Ben jij soms ook tegen de echtscheiding?”, vroegen ze Jeshoe.
“Hij stuurde zijn vrouw weg om een ander te trouwen. Hoe is dat geen overspel?”
“Maar waarom staat er dan in de Wet van Mozes dat je haar een scheidbrief moet geven, zodat ze kan hertrouwen? Dan is het toch geregeld?”
“Vanwege jullie harde harten,” zei hij toen. “Heb je niet gelezen hoe God het bedoeld heeft: dat man en vrouw één zijn?”

“Als je niet mag scheiden kun je beter maar niet trouwen,” zeiden wij. We keken hem niet-begrijpend aan.
“Je begrijpt het pas als het je overkomt.”

Het nieuwe verbond

1Kor 11:23

Mariamme breekt het brood.
Wil jij vandaag de woorden zeggen?
Ik was er niet bij, zeg je. Ik kan alleen maar vertellen wat ik zelf gehoord heb.
Doe toch maar, zegt ze. Ze pakt de schaal met brood en laat die rondgaan.
Je zegt: Het was in de nacht dat hij verraden zou worden. Hij nam het brood en dankte God. Toen brak hij het in stukken en zei: “Neem het, eet het. Zo wordt mijn lichaam gebroken voor jullie.” Na de maaltijd nam hij de rode wijn en schonk hem uit in een beker. “Zo wordt mijn bloed vergoten als ooit dat van het paaslam in Egypte.” Het lam stierf maar de mensen werden verlost uit hun slavernij. “Neem de beker. Drink eruit en denk aan mij zo vaak als jullie samen de maaltijd delen. Een nieuw verbond tussen God en mensen totdat ik jullie weer in mijn armen mag sluiten.”
Amen, zegt ze: Zoals wij met hem zijn in zijn sterven, zo zal hij met ons zijn wanneer hij komt.

Het laatste avondmaal. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.

Eli, Eli, lema sabachthani?

Mar 15:34, Mat 27:46, Joh 19:27

Ik was zestien jaar toen hij stierf, zegt Jochanan. Ik stond erbij met mijn moeder en met zijn moeder, haar zus. Terwijl hij daar gekruisigd hing vroeg hij ons om voor haar te zorgen. Mariamme was er ook bij, maar onze vrienden waren gevlucht. Het was guur en grauw. Ik zal zijn woorden nooit vergeten: “Eloi, Eloi, mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?” Ik dacht dat hij het opgaf. Later begreep ik pas dat hij de woorden van de psalm uitriep.
Mariamme knikt: Hij zei het in het Hebreeuws van de heilige schriften: “Eli, Eli.” Daarom dachten de mensen verderop dat hij om de profeet Elia riep. Iemand bracht een spons voor hem om uit te drinken.

Jochanan is stil. Hij hoort het weer.

Saul

1Cor 15:1-8, Gal 1:18, 3:13.

Ik haatte hem, zegt Saul. Ik haatte het dat mijn vrienden in onze synagoge dachten dat hij een profeet was, door God gezalfd. Toen ik hoorde dat hij gekruisigd werd wist ik het zeker. Mozes schreef toch: “Vervloekt is elk lichaam dat gekruisigd is.”
Simon knikt. Hij wist het niet maar het is duidelijk dat dit voor zijn bezoeker belangrijk is.
De tempelpolitie zocht zijn medeplichtigen. In onze synagoge zeiden ze dat een groep rond Stefanus de tempel in brand zou gaan steken. Vrienden van mij. Ik gaf ze aan. Ze werden ondervraagd, gegeseld, gestenigd. Sommigen vluchtten naar Damascus en ik bood me aan als ooggetuige voor het arrestatieteam. Maar onderweg, in de woestijn bij Damascus, zag ik een verblindend licht. En ik hoorde een stem, zo zeker als ik jou hier hoor: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” Vanaf dat moment was ik blind en ziek en nutteloos als ooggetuige. Het team ging terug maar liet mij achter in de stadsherberg, ijlend op een bed. Diep van binnen wist ik dat dat ik de stem van Jeshoe gehoord had. Maar in mijn verduisterd denken wilde ik dat het de hitte was, mijn schuldgevoel of de satan die zich voordeed als een engel van het licht. Want als dat echt Jeshoe was, wist ik, dan ben ik de grootste zondaar die er is. Ik die probeerde om alle geboden na te leven, ik die naar Jeruzalem gekomen was om de wetten van mijn volk te bestuderen, ik die Joodser dan de Joden wilde zijn. Ik zou een verrader van mijn vrienden zijn, een moordenaar. Niet te rechtvaardigen. Voor altijd verloren.
Simon knikt.

Saul gaat door: Zo vond een van mijn vroegere vrienden mij, een van jullie. Hij kwam naar mij toe, hij bad voor mij, hij genas mij. We spraken tot diep in de nacht. Ik leerde toen dit:
“De gezalfde is gestorven om ons te verlossen van de slavernij van onze zonden, zoals geschreven staat in de profeten. Hij is begraven en op de derde dag opgewekt, zoals geschreven staat in de profeten. Hij is gezien door Kefas,” door jou, “door de Twaalf, door meer dan vijfhonderd broeders bij elkaar, door zijn broer Jacob, door alle apostelen.”

Simon knikt, hij zegt:
Mariamme zag hem het eerst maar niemand geloofde haar. Zijn broer Jakob geloofde niet dat hij een profeet was, maar ook hij zag hem.

Saul denkt: En aan mij verscheen hij het laatste van iedereen, als aan de misgeborene die de zon niet zag.

Hoe vond je dit hoofdstuk?

Met jullie scores kijken we welke hoofdstukken verbeterd moeten worden. Heb je daar concrete ideeën over, stuur dan een e-mail.

Rating: 4.1333333333333 sterren
15 stemmen

Praat mee

Ga vanaf hier naar de suggesties voor geïnteresseerden, voor geloofsgroepen of voor theologen. Of lees eerst nog even verder voor wat achtergrondinformatie.

Achtergrond: De strijd om het koninkrijk

Na de dood van koning Herodes werd het koninkrijk van Israël verdeeld onder drie zonen, onder toezicht van de Romeinse gouverneur van Syrië (kijk hier voor een landkaart). Maar de oudste van de drie werd weggestuurd en Judea kreeg een Romeinse commandant. De partij van de Herodianen hoopte daarna op Antipas die Galilea bestuurde. Zou hij het koninkrijk kunnen herenigen als Gods gezalfde, bij de gratie Gods?

Volgens Lucas 3:1 was het in het jaar 28 of 29 dat Johannes de Doper opstond in de woestijn: "God zelf is onze koning, bekeer je en verwelkom zijn komst." Was dat symbolisch bedoeld of een oproep tot burgerlijke ongehoorzaamheid? Johannes werd gearresteerd en later onthoofd nadat hij kritiek geuit had op Herodes Antipas, toen deze scheidde van zijn vrouw, een Arabische prinses, om te trouwen met zijn nichtje Herodias. Samen met haar wilde hij koning en koningin van heel Israël worden. Na de dood van zijn broer Filippus, vroeg hij keizer Tiberius om de gebieden van zijn broer te erven: de steden en handelsroutes over de Jordaan, tussen Arabië en Damascus.

Maar zijn vroegere schoonvader, de Arabische koning Aretas, nam het niet. Hij bracht zijn leger op de been en bracht het naar de grens. Antipas verzamelde zoveel mogelijk soldaten om hem de doorgang te beletten, maar hij had er te weinig. Zei Jezus niet: “Welke koning trekt er nu op met een leger van 10.000 man tegen een die er wel 20.000 heeft? Kun je dan niet beter vragen om de voorwaarden voor vrede?” Tot overmaat van ramp weigerden zijn ruiters te vechten voor de man die de Doper had vermoord. In de zomer van het jaar 36 werd Antipas’ leger verslagen. “God heeft hem gestraft,” zeiden de mensen. Toen Saul naar Damascus trok met de tempelpolitie, controleerde het leger van Aretas daar de poorten.

Jezus werd gearresteerd op orders van Kajafas, de hogepriester die Jeruzalem en Judea bestuurde onder het toeziend oog van de Romeinse commandant Pilatus. "Koning der Joden," luidde de beschuldiging. "Is dat wat je claimt?" vroeg Pilatus hem. "Mijn koningsschap is niet van deze wereld," zou Jezus geantwoord hebben. Toch werd hij gekruisigd als leider van een opstand tegen Rome. Dat was volgens velen tijdens het paasfeest van het jaar 30. Of 33, als je de verhalen wat tijd wil gunnen. Maar 36 kan eigenlijk ook wel, - misschien wel beter, denk ik eigenlijk (kijk hier voor de achtergrond van die jaartallen of hier voor een historisch overzicht).

Pilatus kreeg het moeilijk: hij probeerde de stad Jeruzalem te voorzien van een betere watertoevoer, maar toen hij hiervoor geld van de tempelschat liet gebruiken kwamen de mensen in opstand – een opstand die hij hardhandig liet neerslaan. “Heiligschennis,” riepen de mensen. Een toren bij het waterbekken stortte in en achttien mensen kwamen om. “Vanwege hun zonden,” zeiden ze. Jezus zei tegen iemand die hem wilde volgen: “Denk eerst goed na of je de kosten wel kunt dragen. Anders lijk je op die man die zo bespot wordt door de mensen, - omdat hij wel begon te bouwen maar niet genoeg geld had om de toren af te maken.” Toen een profeet van de Samaritanen zijn volgelingen een berg opvoerde, liet Pilatus hen doden. De Samaritanen klaagden hem vervolgens aan bij de Romeinse gouverneur van Syrië. De Romeinse gouverneur greep in. In het najaar van het jaar 36 stuurde hij Kajafas naar huis en Pilatus terug naar Rome.

Jezus en zijn leerlingen in het Kidrondal bij Jeruzalem. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.  

Om te Onthouden: De Weg van Jeshoe, 30’er jaren.

In de brieven en boeken van het Nieuwe Testament, die geschreven werden in het internationale Grieks van die tijd, horen we oudere overleveringen en Aramese woorden: de herinneringen van de Joodse vrienden en familieleden van Jezus in Galilea en Jeruzalem. Ze delen het verlangen van Johannes de Doper dat de Heer zou ingrijpen in hun moeilijke tijd: Maranatha, Kom toch Heer! Ze hopen dat Jezus die gezalfde leider is, die messias. Want deze jonge bouwvakker is hun rabbi geworden, omdat hij de mensen verbindt en geneest en hen voorleeft hoe ze op God kunnen vertrouwen als hun liefdevolle vader, hun abba. Ze herinneren zich hoe hij zijn vriend Simeon ook Kefas ging noemen, rots – of Petrus in het Grieks. Ze zijn erbij als hij in zijn laatste week het Joodse Paasfeest viert en zegt dat hijzelf het offerlam is van het nieuwe verbond, het Nieuwe Testament, waarmee God zijn liefdesgebod in de harten van zijn kinderen zal schrijven. En ze vertellen elkaar hoe ze hem, zelfs na zijn kruisiging, levend hebben gezien en gehoord, Petrus, de leerlingen samen, en zijn broer Jacobus. Nu weten ze zeker dat hij de gezalfde is die komen zal: Maranatha!