Israël en Syrië, tegen het jaar 70

Oorlogsliteratuur

De meerderheid van bijbelgeleerden meent dat Matteüs in de jaren 70 of 80 geschreven is. Ze denken dat de voorspelling van de verwoesting van Jeruzalem niet van Jezus zelf is, maar hem na de traumatische gebeurtenissen van het jaar 70 door zijn volgelingen in de mond gelegd is. Eerst door Marcus en daarna door Matteüs en Lucas.

Maar niet iedereen is het daarmee eens. De belangrijkste reden waarom sommigen denken dat Marcus en Matteüs vóór de val van Jeruzalem geschreven moeten zijn, volgt uit die voorspelling zelf. Marcus en Matteüs volgen namelijk het scenario dat we ook in de Tweede Brief aan de Tessalonicenzen tegenkwamen. De schaduw van Caligula hangt nog steeds over de tempel als Matteüs de woorden van Marcus bijna ongewijzigd overneemt. De schrijver verwacht dat een gruwelijk afgodsbeeld of altaar in de tempel zal worden geplaatst waarna een verwoestende strijd uit zal breken. Daarna zal de Mensenzoon terugkomen. Sterker nog, Matteüs scherpt het tijdschema in Marcus nog wat aan: “Direct daarna,” schrijft hij. (Mat 24:29). Dat doe je niet op je gemak twintig jaar na de verwoesting van Jeruzalem. Nee, de schrijver wil zijn lezers aansporen tot actie. Ze hebben geen tijd te verliezen, denkt hij.

Hoe anders zal Lucas schrijven. Hij verwacht geen beeld of altaar meer. “Maar als je Jeruzalem door legers omsingeld ziet, weet dan dat haar verwoesting nabij is” (21:20). En dan, zo heeft Lucas inmiddels moeten vaststellen, zou de Mensenzoon dus nog niet terugkomen. Daarom past hij de woorden van de profetie in Marcus aan en schrijft hij: “Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden totdat de tijd van de heidenen voltooid is” (21:24). Hetzelfde lees je in Openbaring 11:2: “[De heidenen] zullen de heilige stad vertrappen, 42 maanden lang,” een symbolische en door God bepaalde tijdsspanne zal verstrijken voordat de Heer terugkomt.

De simpelste verklaring voor de verschillen tussen Matteüs in vergelijking met enerzijds 2 Tessalonicenzen en Marcus en anderzijds Lucas en Openbaring ligt in de tijd van schrijven. De verwachting in Lucas en Openbaring dateert dan van de verwoesting van Jeruzalem, nadat de Heer niet was teruggekomen. 2 Tessalonicenzen en Marcus zijn dan juist vóór de oorlog en ook vóór Matteüs geschreven. In dat geval zou Matteüs, of in ieder geval dit deel daarvan, in de oorlog of in de aanloop daarnaartoe geschreven zijn, vanuit de overtuiging dat op het hoogtepunt van de strijd, direct na de val van Jeruzalem, ook de Heer zou verschijnen. En zelfs als het evangelie als geheel pas later werd voltooid in Syrië, dan nog zou dit in een gemeenschap gedaan zijn die niet lang daarvoor betrokken was in een afschuwelijke oorlog.

Probeer het eens: het Evangelie naar Matteüs als oorlogsliteratuur.

Het begin van de oorlog

Als Paulus naar Jeruzalem komt, eind 50’er jaren, zijn er Sicariërs (messentrekkers) die tijdens de religieuze feesten moorden plegen om opstootjes te veroorzaken. De hogepriester Jonathan is hun eerste slachtoffer. Een 'profeet' uit Egypte verleidt ‘30.000’ volgelingen om door de woestijn naar de olijfberg te trekken. Hij wil Jeruzalem veroveren, maar de Romeinse procurator was hem voor en ze worden uiteengeslagen. Ondertussen hebben ook de volgelingen van Jezus het moeilijk. In het jaar 62 wordt zijn broer Jakobus in Jeruzalem gestenigd. Een paar jaar later sterven Petrus en Paulus in Rome en tientallen broeders en zusters met hen. In die jaren zijn er onlusten tussen Joden en Grieken in Caesarea, Alexandrië en Samaria, waarbij vele doden vallen.

In het jaar 66 wordt het menens als een deel van de belastingen aan Rome niet wordt betaald. De Romeinse procurator haalt dan zelf het geld uit de heilige tempelschat, misschien met een bonus voor hemzelf. De Joden zijn woedend en een bloedbad volgt. Terwijl de elite probeert de vrede te herstellen nemen rebellen de woestijnvesting Massada in. Ze slachten er de Romeinse soldaten af en plunderen er het wapenarsenaal. Hun ‘Messias’ is Menahem, de zoon van Judas de Galileeër die in opstand kwam tegen de volkstelling van Quirinius. Dat jaar wordt er een ster boven de tempel gezien (wellicht de komeet van Halley). Van Massada trekken ze op naar Jeruzalem. De hogepriester wordt vermoord en het Romeinse garnizoen uitgemoord. Vervolgens gaan de gewelddadigheden over en weer. In Caesarea doden de Grieken en de Syriërs de Joodse minderheid, zo lezen we bij de Joodse geschiedschrijver Josephus, die van grote getallen houdt:

"Binnen een uur verloren meer dan twintigduizend mensen het leven. (…) Groepen Joden plunderden de Syrische dorpen en steden in de buurt. (…) Steden werden in de as gelegd. (…) Talrijke dorpen in de nabijheid van al die steden werden leeggeplunderd en onnoemlijke aantallen inwoners werden gevangen genomen en gedood.

De Syriërs van hun kant doodden minstens zoveel Joden; ook zij brachten iedereen om die zij in de steden gevangen namen, niet alleen uit haat, zoals vroeger, maar ook om het gevaar voor te zijn dat henzelf bedreigde. Een verschrikkelijke chaos was over heel Syrië gekomen. Iedere stad was in twee kampen verdeeld, en elk van beide partijen meende slechts te kunnen overleven door eerder toe te slaan dan de andere. Overdag was het een en al doodslag, ’s nachts overheerste, wat nog vreselijker was, de angst. Want hoewel men dacht van de Joden af te zijn, bleef er toch overal de verdenking tegen de sympathisanten van de Joden aanwezig. (…) In de steden kon men stapels lijken op straat zien liggen, ouden van dagen naast kleine kinderen en vrouwen die hun schaamte niet meer hadden kunnen bedekken. De terreur in de hele provincie laat zich met geen pen beschrijven. Nog erger dan de wreedheden die onophoudelijk werden begaan, was de dreiging van de rampen die nog moesten komen. (…) Alleen in Antiochië, Sidon en Apamea werden de Joodse ingezeten gespaard."

In deze tijd zijn er felle discussies tussen Joden en niet-Joden en ook tussen Joden onderling. Kun je je voorstellen hoe deze de gemengde gemeenschappen van Joodse en niet-Joodse volgelingen van Jezus in Syrië dreigden te verscheuren? Zelfs, misschien wel juist, als zij trouw elkaar bleven zouden hun volksgenoten ook hen wantrouwen. Grieken en Syriërs zagen hen als sympathisanten van de Joden. Joodse mensen vroegen hen om zich te scharen in hun strijd.

Matteüs ging wellicht hierdoor het lijden van Jezus én de kracht van zijn boodschap dieper begrijpen, juist door die twee samen te laten klinken. En dat wil hij delen, als troost voor de vervolgden, als richtsnoer voor de gemeenten, als aanmoediging van de zendelingen onder de volken en bovenal als innerlijk kompas: ‘heb je vijanden lief.’

De tempel van Jerusalem, symbool van hoop voor de Joodse opstand. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.   

Matteüs

Matteüs was een tollenaar. Niet voor de Romeinen maar voor Herodes Antipas, al maakte dat in de praktijk weinig uit. Hij inde de belastingen vanuit zijn belastingkantoortje; misschien aan de kade van Kafarnaüm of aan de handelsweg die langs het stadje liep van Egypte naar Damascus. Een prima baan, al werd je er niet populair van. Maar hij kon rekenen en schrijven.

            Jezus zag hem zitten. “Ga mee,” zei hij.

Matteüs richtte een maaltijd aan met vreemd gezelschap: vissers, vangers en foute vrouwen. Jezus was erbij.

            “Waarom eet hij met tollenaars en zondaars?,” vroegen de vromen.

            “Wat betekent dan deze zin in de Psalmen?” vroeg hij: “‘barmhartigheid wil ik, geen offers in de tempel.’”

Rond het begin van de tweede eeuw schreef Papias, de bisschop van Hiërapolis (de zusterstad van Laodicea en Kolosse), een boek in vijf delen: Uitleg van de spreuken van de Heer. Helaas is het verloren gegaan. Het was zijn passie om te horen van Johannes in Efeze, van de dochters van Filippus in Hiërapolis, of van welke voorbijganger ook die de apostelen nog zelf gesproken had.

“Matteüs verzamelde de spreuken in het Hebreeuws en groepeerde ze in een ordelijk geheel,” schreef hij, “en iedereen daarna vertaalde en interpreteerde ze naar beste kunnen.” Later dachten ze dat Matteüs het eerste evangelie geschreven had in het Hebreeuws (of Aramees) én het Grieks, maar dat is niet wat Papias ons vertelt. Hij heeft het alleen over een geordende verzameling van spreuken in het Hebreeuws (of Aramees). Dat zijn niet alleen markante one-liners maar ook gelijkenissen: korte, enigszins absurde verhalen en beelden waarmee Jezus de vastgeroeste ideeën die mensen hebben van het koninkrijk van God loswrikt.

Je kunt die spreuken zien als favoriete boodschappen, anekdotes en metaforen uit de stump speeches van een Amerikaanse presidentskandidaat op verkiezingstournee. Overal vertelt de kandidaat het publiek onderdelen van zijn of haar boodschap. Zo ook Jezus. Zeker in een tijd zonder nieuwsmedia was herhaling de enige manier om je boodschap enigszins consistent te verspreiden. Daarbij hoort ook de keuze van twaalf apostelen die Jezus in tweetallen erop uitstuurde met zijn boodschap. Zij waren de verspreiders van zijn gedachtengoed en voorkwamen zo al te grote verstoringen daarvan. De mondelinge leer ontstond dus in de herhaling van bekende elementen maar had geen formulering of opbouw vooraf. Je kon ze al naar de omstandigheden selecteren, variëren en verwoorden.

De schrijver van het evangelie 

We hebben geen idee wie het uiteindelijke Evangelie naar Matteüs schreef, maar het verschil met Marcus zit hem toch vooral in die spreuken die de schrijver zo inspireren. In die zin is het mooi om hem of haar voor het gemak ‘Matteüs’ te blijven noemen. Dit evangelie is een prachtige compositie van die verzamelde spreuken van Jezus, het Evangelie naar Marcus, vervulde profetieën uit de Hebreeuwse Bijbel en eigen materiaal. Matteüs groepeert veel spreuken in vijf ‘redevoeringen:’ de Bergrede over de wet, de toespraak bij de uitzending van de apostelen, de gelijkenissen van het koninkrijk, de rede over de gemeente, en de rede over het einde van Jeruzalem. Vooral met het componeren van de Bergrede, met zijn unieke kijk op gerechtigheid, nederigheid, activisme en overgave, oefent Matteüs tot op de dag van vandaag een enorme invloed op de ontwikkeling van ons denken.

Een Joodse volgeling van Jezus

Verreweg de meeste theologen denken aan een Joodse volgeling van Jezus uit het tweetalige Syrië, bijvoorbeeld Antiochië. De schrijver legt een grote nadruk op de missie onder alle volken maar is ook positief over de wet, althans zoals Jezus die uitlegt:

“Amen, Amen, zeg ik jullie: totdat hemel en aarde voorbijgaan, zal er geen punt of komma voorbijgaan van de wet, - totdat alles gebeurd is.

Wie dus ook maar één van de onbenulligste van deze geboden zou ontbinden en dat de mensen zou leren, zal een onbenul genoemd worden in het koninkrijk der hemelen.”

Voor Matteüs is de wet dus ook tijdelijk, alleen niet tot de komst van de Messias (zoals Paulus leerde) maar voor zolang wij deze aarde bewonen. Jacobus zou het met hem eens zijn geweest. Dat betekent overigens niet dat er alleen de wet is. We leven in twee werkelijkheden: de wet in deze werkelijkheid en het eeuwige evangelie. Op aarde mag de gemeente haar leden ‘binden’ en ‘ontbinden’ in relatie tot elkaar en hun schulden voor God:

“Amen, Amen, zeg ik jullie: al wat jullie binden op aarde zal gebonden zijn in de hemel en al wat jullie losmaken op aarde zal losgemaakt zijn in de hemel.

“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.”

“Zo is elke schriftgeleerde, die een leerling geworden is van het koninkrijk van de hemelen, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schatkamer oude en nieuwe dingen naar buiten brengt."

In de brieven vanuit Rome zagen we het begrip groeien dat Jezus niet alleen de komende Heer is, maar ook de Heer door wie hemel en aarde geschapen zijn. Hij is eeuwig. Hij is niet een zoon van God, maar de zoon van God. Het Evangelie naar Marcus stelde de vraag al: Als de Messias alleen maar een nazaat van koning David is, hoe kan David hem dan in de Psalmen aanspreken als ‘Mijn heer’? Het antwoord wordt nu gegeven in het geboorteverhaal van Matteüs: de maagd zal zwanger worden vanwege de Heilige Geest. Het kind zal Immanuël genoemd worden, ‘God met ons.’ Dat haalt Matteüs uit de oude profeten. Wat dat betekent legt hij niet uit. En over de rol van Jezus of de Heilige Geest bij de schepping zegt hij niets. Maar wel dat de schepping voorbijgaat en de woorden van Jezus niet. Matteüs geeft ons een vermoeden van wie Jezus is: "God met ons," voor altijd.

Een kunstenaar

“Waarom zou je een verhaal opnieuw vertellen?” vraagt Aristoteles zich af in zijn beschouwing van de Griekse tragediën. Wat is het effect als je publiek de geschiedenis al kent? Juist dan, stelt Aristoteles, kan de dichter zijn kunst laten zien door de manier waarop hij de bekende feiten in het licht stelt. De auteur besluit hoe hij de gebeurtenissen en woorden groepeert en verwoordt, welke associaties hij maakt. Het publiek mag zien hoe die vertrouwde elementen elkaar in een ander licht stellen en nieuwe resonanties en symfonieën voortbrengen.

Matteüs ziet symbolen en patronen en communiceert met ons door die te belichten. Dat doet hij al meteen met de keuze van een afstammingslijst waarin Jezus geboren wordt in de erfopvolging van de koningen van Israël, van Abraham tot Jezus. Hij ziet een patroon van 3 maal 14 generaties, met als keerpunten in de reeks het koningschap van David en de Babylonische ballingschap. Iedereen die de geschiedenis kent, kan zien dat Matteüs een paar koningen weglaat en iedereen die kan tellen ziet dat het patroon een patroon is dat je moet willen zien. Maar ‘zes keer zeven voorouders’ betekent dat met Jezus een nieuwe tijd aanbreekt: de sabbat voor het volk van God.

Een ander patroon dat hij ziet betreft de beschadigde vrouwen in zijn lijst: Tamar die haar schoonvader moest verleiden om nog zwanger te kunnen worden, Rachab de hoerenmadam uit Jericho, de buitenlandse weduwe Ruth die in Boaz haar verlosser vond, en de getrouwde vrouw bij wie David zijn zoon Salomo verwekte. Dat patroon wordt voortgezet en omgekeerd in de vijfde vrouw, Maria: haar te vroege zwangerschap is geen argument om Jezus af te wijzen als erfgenaam van David omdat hij geboren zou zijn uit ontucht of verkrachting. Jezus' einde bewijst zijn begin. Daarom moet zij gezien worden als de maagd waarover de profeet Jesaja sprak bij de (biologisch volkomen normale) geboorte van koning Hizkia, eeuwen daarvoor.

Matteüs ‘extrapoleert’ profetieën uit de Hebreeuwse bijbel naar het verhaal van Jezus. Volgelingen van Jezus verzamelden zulke profetieën al langer, maar Matteüs kiest nu welke hij gebruikt om Jezus aan het publiek voor te stellen. Hij is ‘God met ons’ geboren uit een maagd, de ster uit Jacob, Gods beloofde gezalfde (uit Davids vaderstad Bethlehem), Gods oogappel Israël uit Egypte geroepen, de nieuwe Mozes die Farao’s kindermoord overleefde en als ‘Nazarener’ aan God werd toegewijd.  Eigenlijk zegt hij daarmee ook dat het land Israël een land van donkere ellende is geworden en dat er een nieuwe exodus nodig is. Een nieuwe Mozes en een nieuwe Jozua, om het volk te redden van hun zonden. Zaten daar historische feiten achter of is dit de dichterlijke vrijheid van Matteüs? Het is een vraag die je aan een historicus mag stellen maar die een beetje raar klinkt in de oren van een kunstenaar. Vergelijk het met de middeleeuwse schilders die een os en een ezel schilderden bij de stal van Jezus’ geboorte. Dat was toch vooral een verwijzing naar Jesaja 1:3: “Een os kent zijn eigenaar en een ezel de kribbe van zijn heer maar Israël weet niks; mijn volk begrijpt mij niet.” Dan vraag je ook niet of de schilder wel zeker weet dat er een os in de stal stond. Profetieën en symbolen vertellen een groter verhaal aan mensen die daarvoor openstaan.

Zo ook de wonderen die Matteüs overneemt van Marcus: hij maakt er drie groepjes van drie verhalen van en in totaal tien wonderen. Bij velen roept het de gedachte op aan de tien wonderen van Mozes in Egypte. Vaak wijzen ze op de vijf redevoeringen die dan zouden staan voor de vijf boeken van Mozes, of op de Bergrede (bij Lucas spreekt Jezus in het veld), die de herinnering aan de wetgeving op de berg Sinaï oproept. Verder heeft hij een voorkeur voor tweetallen als hij Marcus’ tekst bewerkt: twee bezetenen, twee blinden en twee vrouwen bij het graf.

De twee wonderbare spijzigingen in Matteüs en Marcus vormen een bijzonder geval. Omdat de tweede spijziging ontbreekt in Lucas en Johannes vragen sommigen zich af of de tweede spijziging later is toegevoegd aan Marcus en of Matteüs bewust die versie gebruikt (of dat een latere versie van Marcus het van Matteüs heeft overgenomen). Hoe dan ook, na de eerste spijziging blijven er 12 manden brood over en na de tweede keer 7 manden. Tijdens de bootreis die erop volgt daagt Jezus de discipelen uit om de symbolische betekenis daarvan te begrijpen. Maar hij legt het niet uit! Sommigen denken bij de twaalf manden aan het brood voor de twaalf stammen van Israël en bij zeven manden aan de zeven niet-Joodse volken in Israël. Brood voor de kinderen en brood voor de hondjes in hun huis, zou een vrouw uit Syrië concluderen.

De ster van Bethlehem

Matteüs begint met een sprookje dat eindigt in een nachtmerrie:

Het was toen Jezus geboren was in Bethlehem in Judea, in de dagen van Herodes de koning. Zie, magiërs uit het oosten kwamen aan in Jeruzalem, vragend: “Waar is de pasgeboren koning van de Joden, want wij hebben de opgang van zijn ster gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden.”

“Dat moet in de stad van David zijn, in Bethlehem, zo schrijft de profeet.”

Maar Herodes wordt bang: is dit het einde van zijn regering en zijn dynastie? Hij vraagt wanneer de ster verschenen is.

En dan laat hij alle jongetjes in Bethlehem onder de twee jaar doden.

Het verhaal zinspeelt op een voorspelling in de boeken van Mozes: “Een ster rijst op uit Jacob, en een scepter verheft zich in Israël.” Maar in Syrië lag een andere associatie meer voor de hand. Toen Quirinius gouverneur van Syrië was (dezelfde gouverneur die Lucas noemt in zijn kerstverhaal), liet hij munten slaan van een ster en een ram. Niet om te vertellen van een stralende engel en herders, maar om een belangrijke astronomische samenloop te claimen voor Rome: de koningsplaneet Jupiter was, tezamen met de boodschapper van de goden, Mercurius, verschenen aan de horizon in het sterrenbeeld Ram (het symbool voor Syrië en in het bijzonder voor de regio van Damascus en Jeruzalem). Met deze munt uit het jaar 5/6 verkondigde Quirinius dat het Romeinse bewind over Syrië en Judea door de goden was gewild en in de sterren geschreven stond.

Onder Nero wordt de munt opnieuw geslagen, hiernaast één uit 56/57. Vleiers zeggen dat Nero koning van Jeruzalem en heerser van de hele wereld kan worden.

Matteüs betrekt de ster van Quirinius en Nero op de geboorte van Jezus en hij koppelt hem aan oudere verhalen over koning Herodes die astrologen raadpleegde en zelfs zijn eigen zonen doodde uit angst voor verraad. Met het verhaal van de kindermoord schildert Matteüs hem af als de Farao die de eerstgeboren zonen van de Israëlieten doodde om hen als slaven onder de duim te kunnen houden. Zo wordt Jezus in het Evangelie naar Matteüs de nieuwe Mozes die zijn volk verlossen zal. Het is een krachtig politiek statement: niet Rome of Nero maar Jezus is de verlosser.

Vijf redevoeringen

Het evangelie naar Matteüs kun je in zo’n 2,5 uur beluisteren. Dat was waarschijnlijk te lang voor een bijeenkomst van de volgelingen van Jezus en het kan goed zijn dat het evangelie in delen werd gelezen. De tekst zelf geeft niet een dwingende structuur, anders dan de structuur die Marcus al aanbracht. Veel commentaren stellen een zevendelige structuur voor: een inleiding, vijf verhalende delen met telkens één van de vijf redevoeringen, afgesloten met de ontknoping met Pasen.

Maar het vernieuwende van Matteüs is nu juist dat de spreuken van Jezus, die zijn volgelingen vaak al uit hun hoofd kenden, nieuwe betekenis krijgen als je ze hoort in het verhaal van zijn leven en ook het verhaal van Marcus krijgt nieuwe betekenislagen door de spreukenverzamelingen die Matteüs erin opneemt. Daarom kun je overwegen om het boek in vijf delen te lezen of te beluisteren, met steeds zowel verhalen als spreuken:

  1. Jezus als de nieuwe wetgever in hoofdstuk 1-7, aangekondigd door de profeten en Johannes de Doper en eindigend met de Bergrede.
  2. Jezus als de brenger van het koninkrijk in hoofdstuk 8-12 met wondertekenen en tegenspraak van familie en volksgenoten; in hoofdstuk 10 de uitzending van de apostelen als de herauten die het koninkrijk zullen verkondigen.
  3. Jezus die de leerlingen inwijdt in de mysteriën van het koninkrijk in hoofdstuk 13-17, beginnend met de rede van de gelijkenissen en eindigend met de verheerlijking op de berg met Mozes en Elia.
  4. Jezus die zijn volgelingen voorbereidt op hun tijd zonder hem in hoofdstuk 18-23, startend met rede over de gemeente en eindigend met een ontmaskering van religieuze hypocrisie en hiërarchie. Hij maant zijn volgelingen: “jullie moeten je geen rabbi, vader of voorganger laten noemen; jullie zijn allemaal broeders en zusters.”
  5. Jezus die zijn leerlingen voorbereidt op het lijden in hoofdstuk 24-28, beginnend met de rede over de eindtijd (die voor Matteüs dan inmiddels al begonnen zou zijn) en afgesloten met het voorbeeld van Jezus’ eigen lijden en opstanding.

De grote opdracht

Tijdens of kort na die verwoestende oorlog, waarin Rome soldaten uit alle volken samenbrengt om Israël te verslaan, besluit Matteüs zijn evangelie met de grote opdracht voor alle volken. Ook Matteüs ziet dat de missie onder de volken dus als deel van Gods plan. Als de elf overgebleven leerlingen de opgestane Jezus ontmoeten in Galilea, komt Jezus naar ze toe en zegt:

‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’

Opmerking voor gesprekskringen: De bespreking van hoofdstuk zou je in tweeën kunnen splitsen: eerst Matteüs 1-12 en vervolgens Matteüs 13-28.

Hoe vond je dit hoofdstuk?

Met jullie scores kijken we welke hoofdstukken verbeterd moeten worden. Heb je daar concrete ideeën over, stuur dan een e-mail.

Rating: 4.5 sterren
2 stemmen

Praat mee

Ga vanaf hier naar de suggesties voor geïnteresseerden, voor geloofsgroepen of voor theologen. Of lees eerst nog even verder voor wat achtergrondinformatie.

Achtergrond: Vier Joodse stromingen

In zijn verslagen van de Joodse oorlog en van de Joodse geschiedenis, beschrijft Josephus de belangrijkste Joodse stromingen. Samengevat zegt hij ongeveer dit van hen:

Farizeeën

De Farizeeën leven vroom en verstandig. Ze hebben vriendschap onder elkaar en leven in goede harmonie met de rest van de samenleving. Ze hebben respect voor de voorvaderen en de mondelinge tradities en leggen de wetten nauwkeurig uit. Het volk volgt hen daarom in hun voorschriften voor de feestdagen, de offers en de gebeden. De geschiedenis wordt bepaald door de Voorzienigheid, zeggen zij, zonder dat er daarmee de vrije wil verdwijnt. God heeft immers mensen met een eigen verstand en temperament geschapen. De zielen van mensen bestaan voort na hun dood en zullen dan gestraft of beloond worden. De zielen van de rechtvaardigen zullen deelhebben aan de lichamelijke opstanding.

Sadduceeën 

De Sadduceeën, waartoe de hogepriesters en veel van de vooraanstaande burgers behoren, ontkennen de rol van de Voorzienigheid. God staat los van het kwaad in deze wereld. Ieder mens moet uit eigen vrije wil kiezen tussen goed en kwaad. Daarbij beperken de Sadduceeën zich tot de vijf boeken van de Thora en betwisten ze graag de uitleg ervan. Ze geloven ook niet in het voortbestaan van de ziel of straffen en beloningen in het hiernamaals. Gods Geest, onze levensadem, keert terug naar hem die haar gegeven heeft. Hun leer wordt niet door het volk gedeeld, daarom moeten ze de uitleg van de Farizeeën volgen als ze een bestuursfunctie bekleden.

Essenen

De Essenen, schrijft hij, gaan vooral met elkaar heel vriendschappelijk om. Ze doen niet mee met de offerdienst in de tempel maar trekken zich terug in kloostergemeenschappen waarbinnen ze hun eigen rituelen vieren, teksten kopiëren en hun voedsel verbouwen. Velen van hen zien af van het huwelijk, hoewel ze vaak wel de kinderen van anderen adopteren. Ze leven in gemeenschap van goederen en onderweg kunnen ze bij elke zustergemeenschap terecht. Zij geloven in het voortbestaan van de ziel en dat God de rechtvaardigen zal belonen in het hiernamaals. Ze leven uitermate vroom, sober en gedisciplineerd. Ze zullen nooit liegen of een eed zweren. Ze hebben grote kennis van de geschriften en letten daarbij op de gezondheid van geest en lichaam.

Sicariërs

De Sicariërs, de groep die Josephus als hoofdschuldige aanwijst voor de oorlog, zijn voortgekomen uit de opstand van Judas de Galileër in de tijd van de volkstelling van Quirinius. Deze ‘messentrekkers’ zijn het eens met de wetsuitleg van de Farizeeën maar zijn onverbrekelijk gehecht aan de vrijheid. Ze zeggen dat God hun enige rechter en heer is. Ze zijn niet bang voor de dood en geven ook niet om de dood van familie of vrienden. Ze zullen nooit uit angst of pijn het gezag van de Romeinen de erkennen.

Romeins legerkamp. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.  

Om te onthouden: “Heb je vijanden lief,” eind jaren 60.

In het jaar 66 is de Joodse opstand uitgebroken en Nero stuurde een enorme troepenmacht onder leiding van generaal Vespasianus om de rebellie neer te slaan. Veel Joodse volgelingen van Jezus in Israël zitten vol vragen. Zal Nero de keizer zijn die zich als een God in de tempel wil laten aanbidden? Zal de Heer nu terugkomen om hem te verslaan? En wat moeten ze zelf doen? Vechten of vluchten?

  • Je zou het Evangelie van Matteüs ook als oorlogsliteratuur kunnen lezen. Het herschrijft de profetie in Markus en voegt toe dat terstond na de belegering van Jeruzalem de Heer zal terugkeren. Niet Rome of Nero heeft het laatste woord, maar Jezus. De schrijver is een wetsgetrouwe Jood die Jezus presenteert als de nieuwe Mozes, die het volk zal verlossen van de zonden. Koning Herodes is als de Farao van Egypte die de pasgeboren Joodse jongetjes liet doden. De schrijver ordent de genezingen in Marcus als de tekenen die Mozes deed om te laten zien dat God zijn volk zou bevrijden. En hij bewerkt de spreuken van Jezus tot vijf redevoeringen die worden samengevoegd met de verhalen van Marcus. Er wordt gezegd dat Matteüs, een leerling van Jezus, de spreuken van Jezus had opgeschreven in het Aramees. Misschien dat dit evangelie daarom zijn naam gekregen heeft. Door het samenbrengen van de spreuken en de verhalen krijgen beide weer meer betekenis. De fundamentalisten die de wapens willen opnemen tegen Rome krijgen in de Bergrede de woorden van Jezus te horen als een nieuwe wet: “Heb je vijanden lief.” Juist in het zicht van de Wederkomst moeten we de Weg van de Heer bewandelen.