Rome, begin jaren 60

Rond het jaar 60 komt Paulus eindelijk aan in Rome, niet op doorreis naar Spanje maar als gevangene. Blijkbaar was zijn angst voor de ‘weerspannigen' in Judea terecht geweest (Romeinen 15:31). Hij had daar de opbrengsten van de collecte onder de gemeenten uit de volken naar toe gebracht, om zich met Jacobus en de andere leiders te verzoenen. Maar het eindigde in een arrestatie en gevangenschap die hem de doodstraf op kan leveren.

De Brief aan de Filippenzen

Paulus schrijft over zijn rechtszaak in de warme en dankbare brief aan de Filippenzen, een gemeente met wie hij veel contact had. Die Romeinse kolonie in Macedonië, gelegen aan de beroemde Via Egnatia, de handelsroute van Klein-Azië naar de Adriatische Zee, was hem dierbaar. Het was één van de weinige steden waar hij echt als eerste het evangelie had gebracht, samen met Timoteüs en Silvanus, zoals we in de eerste brief aan de Tessalonicenzen hebben kunnen lezen. Ze hadden Paulus financieel gesteund, zodat hij in Tessalonica en Korinthe niet zijn hand heeft hoeven ophouden. Toen ze hoorden dat hij gevangenzat hebben ze opnieuw voor hem geld ingezameld en dat meegegeven aan ene Epafroditus. Die was overigens ziek geworden tijdens zijn reis, wat de mensen in Filippi weer te horen kregen en hen veel onrust gaf. Paulus stuurt hem terug met een brief en belooft spoedig ook Timoteüs te sturen. Zelf hoopt hij te komen als hij vrijkomt, al is hij daar niet zeker van. Hij toont hen zijn kwetsbaarheid als hij nadenkt over zijn mogelijke dood.

Filippenzen wordt algemeen gezien als een brief van Paulus zelf, maar de geleerden zijn het er niet over eens waar deze brief, al dan niet samengesteld uit meerdere brieven, is geschreven. Een aantal verkiest Efeze in de 50’er jaren boven Rome in de 60’er jaren, waar de brief traditioneel geplaatst wordt. Anderen vinden de argumenten voor Efeze niet sterk genoeg om die traditie af te wijzen, mits je bereid bent om te accepteren dat Paulus een Romeins burger kan zijn geweest.

“Efeze ligt dichterbij,” zeggen de eersten. Verkeerd argument: het gaat niet om de kilometers maar om het reisvolume over de Via Egnatia. Vrijwel niemand ging naar het kleine Filippi, maar iedereen die tussen Italië en Klein-Azië reisde kwam er wel doorheen.

“Paulus was in Efeze gearresteerd geweest,” hoor je dan en dat is waar. Maar hij is wel vaker en op nog veel meer plekken gearresteerd geweest, zelfs gestraft met stok- en zweepslagen. We zoeken nu naar een plaats en tijd waarin hij in redelijke vrijheid gedurende langere tijd een rechtszaak met mogelijk de doodstraf moet afwachten. Daarover zwijgen de eerdere brieven en deze situatie past toch echt beter bij een Romeins burger die een doodstraf riskeerde. Als de gouverneur van Bithynië in het jaar 112 hardnekkige christenen aantreft, dan liet hij de gewone mensen conform de wet al snel executeren terwijl de beschuldigde Romeinse burgers naar Rome gestuurd werden om daar te wachten tot de keizer ze zou kunnen berechten.

De rechtszaak vindt plaats in het praetorium (de commandopost of rechtszaal van een generaal, een gouverneur of de keizer). Bijzonder pijnlijk daarbij is dat sommige volgelingen van Jezus tegen Paulus getuigen. In die zin was de verzoening die hij probeerde te bereiken nog niet compleet. Hij was nog steeds een controversieel figuur en sommigen weten het lijden van de lokale Joodse en gemengde gemeenten aan zijn radicale prediking. Paulus bemoedigt de Filippenzen met het feit dat zo iedereen in de zaal en daarbuiten het evangelie gehoord heeft. Als Paulus vervolgens in het bijzonder de groeten doet van de verder naamloze gelovigen uit ‘het Huis van Caesar,’ dan wekt hij daarmee de indruk dat zij de vruchten zijn van zijn gevangenschap, geen bekenden van de Filippenzen. In Rome past dat prima. Natuurlijk, ook in Efeze was er een praetorium van de gouverneur en een vrijgelaten slaaf die tot het ‘huis van Caesar’ behoorde. Helius heette hij, de beheerder van Caesars bezittingen daar. Maar Helius had met de rechtspraak niets van doen.

Belangrijker vind ik de ontwikkeling die Paulus doormaakt in zijn denken over Christus. In de prachtige ‘Christushymne’ (2:5-11) komen we voor het eerst de notie tegen dat Christus al ‘in de gestalte van God’ was vóórdat hij geboren werd. Als Jezus de Heer is die zal komen, dan was hij ook de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. Die hemelse Heer is afgedaald en mens geworden zodat hij mensen omhoog kan voeren om bij God te wonen. Die revolutionaire gedachte komen we zo expliciet niet tegen in de brieven van Paulus uit de jaren 50 aan de Galaten, de Korintiërs of de Romeinen. Waar heeft Paulus deze hymne over een pre-existente Jezus vandaan (en komt die gedachte misschien op in het Evangelie naar Marcus 12:35-37)? De gedachte wordt overigens nog weer verder uitgewerkt in de brieven aan de Kolossenzen en Efeziërs.

Paulus klinkt ouder en milder in deze brief. Hoewel zijn tegenstanders in de rechtszaal ook volgelingen van Jezus zijn, heeft deze brief geen van de bijtende verwijten van de brieven aan de Galaten en de Korintiërs, tien jaar eerder.

Nieuwe huisregels

De onrusten hadden overigens niet alleen met Paulus te maken. De volgelingen van Jezus in Rome en de ontvangers van de Eerste Brief van Petrus hadden ook zonder Paulus al genoeg problemen. Zowel de Joodse gemeenschappen als de niet-Joodse stadsbesturen hadden moeite met de radicale gelijkheid tussen Joden en Grieken, mannen en vrouwen, slaven en vrijen, zeker in combinatie met de verwachting dat het einde der tijden nabij was. Niet alleen vonden ze het gebrek aan respect voor tradities en sociale verhoudingen binnen de gemeenten schandalig, het was ook ongekend wat er in de niet-Joodse huishoudens gebeurde: bekeerde slaven en vrouwen zagen zich als vrije kinderen van God en als bruid van Christus. Sommigen wilden koosjer eten of niet meer werken op de sabbat. Ze stopten met het offeren aan de goden en brachten zo hele families en steden in gevaar: 'atheïsten' werden ze daarom genoemd. Anderen wilden geen seks meer met hun meester of echtgenoot. Van Joden waren ze zulk vreemd gedrag wel gewend, maar nieuwe gelovigen uit de heidenen zullen regelmatig hardhandig aangepakt zijn door de pater familias die hun meester, vader of echtgenoot was.

Het evangelie riep weerstand op en dat was niet alleen maar positief. Het kon ertoe leiden dat mensen het evangelie afwezen nog voor ze het begrepen hadden. Wat is beter: zeggen dat mensen gelijk zijn maar alleen maar strijd en verdriet veroorzaken, of mensen de liefde van Jezus laten ervaren zodat ze elkaar daadwerkelijk als gelijkwaardig en geliefd gaan behandelen?

Er zijn drie brieven die ongeveer dezelfde huisregels beschrijven: de Eerste Brief van Petrus, Paulus’ brief aan de Kolossenzen en zijn brief aan de Efeziërs. Het komt erop neer dat je de bestaande sociale verhoudingen moet respecteren: eerbied voor de keizer, voor je meester, voor je ouders en voor je man. Maar tegelijkertijd wordt van gelovige meesters, echtgenoten en ouders verwacht dat ze weten dat ook zij dienstknechten zijn van de heer, bruiden van Christus en kinderen van God. In Christus zijn allen gelijk, maar in deze wereld zijn er sociale verschillen waar je rekening mee moet houden als je anderen wilt bereiken met het evangelie. Die boodschap wordt met rondzendbrieven verspreid over heel klein-Azië. Silvanus brengt de brief van Petrus naar de gemeenten die hij heeft helpen stichten in Klein-Azië: Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië. Tychikus brengt zijn brief rond in Efeze en de drie steden in de Lycus-vallei: Laodicea, Kolosse en Hiërapolis, en wie weet waar nog meer. Bovendien hebben meteen een praktijkprobleem: moet de weggelopen slaaf Onesimus terug naar zijn meester Filemon en hoe zou die meester moeten reageren?

Afzenders

Traditioneel worden deze brieven gezien als geschreven vanuit Rome. Natuurlijk was dat voor de protestantse theologen van de 18e en 19e eeuw geen aantrekkelijke gedachte: Paulus en Petrus die vanuit Rome de ‘katholieke’ (want overal aanwezige) kerk leidden en de plaatselijke gemeenten rondom de Middellandse Zee aanwijzingen gaven!

De meerderheid van de theologen, in het geval van de brief aan de Efeziërs zelfs een erg grote meerderheid, denkt dat deze brieven pas na de dood van Paulus en Petrus geschreven zijn. Ze vinden de taal te mooi, de gedachten over de kerk te ver ontwikkeld en de misstanden in Kolosse te ‘gnostisch.’ Wie de brief wél als authentiek ziet wil hem daarom zo laat mogelijk lezen: tegen het einde van Paulus’ leven.

De enige brief die iedereen aanvaardt als van Paulus’ eigen hand is het briefje aan Filemon, een pleidooi voor een weggelopen slaaf. Veel geleerden denken dat die vanuit Efeze geschreven zou zijn, en dan in de 50’er jaren. Dat vinden anderen weer onbegrijpelijk. Kolosse ligt maar zo’n 170 kilometer van Efeze aan een belangrijke handelsroute en verharde weg. Er waren talloze contacten over en weer tussen de gemeenten in en om Kolosse en Efeze. Een weggelopen slaaf uit Kolosse, die moest vrezen voor een vreselijke marteldood, zou wel heel dom zijn om in het nabijgelegen Efeze te gaan wonen en openlijk contacten te hebben met de vrienden van zijn meester daar. Het argument dat Rome te ver weg zou zijn draaien zij om: het was ver weg en groot genoeg om een nieuw leven te beginnen en met Paulus contact te durven zoeken. Bovendien, reisde ook de tiener Timoteüs niet alleen op en neer tussen Korinthe en Thessalonica (bij elkaar zo’n 900 kilometer)? Los daarvan, Paulus wordt in Filemon voorgesteld als een oude man in langdurige gevangenschap. Als lezer denk je dan toch eerder aan zijn gevangenschap in Rome in de 60’er jaren.

Ongeacht de oorsprong van het briefje aan Filemon, als je het leest in combinatie met de andere brieven van Paulus die Tychikus moet rondbrengen, en I Petrus, ontkom je niet aan de traditionele lezing: het complete verhaal kan zich alleen afspelen in het begin van de 60'er jaren als Petrus en Paulus in Rome zitten. Voor Vertellers en Vertalers gaan we daar dan ook vanuit.

Petrus en Paulus. Fragmenten van het Fresco van de Goede Herder, Catacombe van St Thecla in Rome, 4e eeuw.

De Brief van Petrus en Silvanus

Petrus schreef geen brieven en al helemaal niet in het Grieks. Daarin hebben de mensen die twijfelen aan zijn auteurschap helemaal gelijk. Maar Silvanus, of Silas, die ooit van Jeruzalem naar Antiochië was gestuurd en die met Paulus en Timoteüs door Klein-Azië, Macedonië en Griekenland was getrokken, kan met het voorstel gekomen zijn toen ze elkaar in Rome ontmoetten, misschien al voordat Paulus daar aankwam. Dit is het verhaal dat de brief zelf suggereert.

Silvanus zou dan na de ruzie in Antiochië tussen Petrus en Paulus zijn doorgegaan met reizen; niet alleen naar Galatië en Asia waar Paulus actief was, maar ook naar Cappadocië, Pontus en Bithynië. Petrus noemt hem ‘jullie vertrouwde broeder.’ Zijn Grieks was uiteraard perfect en hij had prima zelf een brief kunnen sturen. Maar als hij van plan was de gemeenten zelf te bezoeken dan kon hij met een brief van Petrus diens gezag en inspiratie meenemen om de volgelingen van Jezus te bemoedigen, hun gemeenten beter te organiseren en de nieuwe gelovigen in heidense huishoudens te voorzien van levensregels die moesten leiden tot minder conflicten en lijden.

De ontvangers van de brief worden aangesproken als vreemdelingen in de diaspora (1:1) en als vreemdelingen en bijwoners (2:11), net even anders dan de ‘twaalf stammen in de diaspora’ van Jacobus 1:1. Petrus gebruikt woorden die zowel op Joden in het buitenland als op niet-Joden in Israël kunnen slaan, een subtiele oproep om enerzijds de eigen identiteit te koesteren en anderzijds geen aanstoot te geven. Tegelijkertijd wijst het de volgelingen van Jezus uit beide groepen op hun ware identiteit als kinderen van God en inwoners van een geestelijk koninkrijk.

Silvanus en Petrus schrijven een prachtige brief. Enerzijds herken je er de stijl in van de brieven die Silvanus met Paulus en Timoteüs had geschreven, maar je vindt er ook accenten en beelden in die passen bij de Petrus die we ontmoetten in het Evangelie van Marcus. Het idee dat de gemeenschap een alternatieve tempel is, niet door mensen uit stenen gebouwd maar een geestelijk priesterschap, gaat rechtstreeks terug op Jezus toen hij de psalmen citeerde: “de Steen die de bouwlieden verworpen hebben is geworden tot de hoeksteen.” Jezus, die hem ooit vroeg voor zijn schapen te zorgen, noemt Petrus nu de hoogste herder, de pastor, van wie de oudsten in de gemeenten hun herderlijke taak opgedragen krijgen.

De huisregels die hij uiteenzet presenteert hij niet als uitingen van een volmaakte goddelijke orde. Hij schrijft dat je beter onschuldig kunt lijden dan vanwege je misdaden of bemoeizucht, zoals ook Christus als onschuldige moest lijden zonder terug te schelden of te dreigen met de straf van God. Hij schrijft dat je de Romeinse gouverneur en de keizer onderdanig moet zijn, maar noemt ondertussen Rome wel ‘Babylon,’ om aan te geven dat hij zich er een vreemdeling in ballingschap voelt. Het lijden is ernstig maar voor de auteurs een teken dat het kwaad op zijn laatste benen loopt: de duivel gaat rond als een brullende leeuw, wetende dat zijn resterende tijd kort is.
De brief sluit af met een warme aanbeveling voor Silvanus en de groeten van de gemeente en ‘Marcus, mijn zoon.’ Marcus had immers ook in Klein-Azië gereisd.

De regio's van Klein-Azië  in de brief van Petrus en Silas, en de kleine stad Kolosse bij Efeze.


Opmerking voor gesprekskringen: Ook dit hoofdstuk is weer wat langer. Eventueel kun je het hier in tweeën splitsen.

Wat doe je met een weggelopen slaaf?

De nieuwe huisregels zijn prachtig: als we elkaar allemaal dienen uit liefde is het leven goed, ongeacht de sociale machtsverhoudingen. Maar Paulus wordt meteen op de proef gesteld: zijn jonge vriend Onesimus is een weggelopen slaaf. Wat betekenen de huisregels voor hem?

Tegenwoordig denken veel mensen in het westen dat slaven ‘de anderen’ zijn. Maar als die gouverneur van Bithynië uit het jaar 112 onderzoek doet naar de Christenen, dan worden die mede geleid door twee slavinnen, die (net als Febe dat was) de diakenen binnen de gemeente zijn. In Italië was pakweg een derde van de bevolking slaaf. Een kleine elite was eigenaar van de helft van alle slaven. Onder de volgelingen van Jezus waren veel meer slaven dan eigenaren van slaven.

Rome financierde haar veroveringen door andere landen massief te plunderen en na al het oorlogsgeweld veel van de overlevenden (vooral de jongeren) tot slaaf te maken en te verkopen. De achterblijvers moesten belasting betalen voor de ‘vrede van Rome,’ - die overigens ook economische groei meebracht. Zo kwamen talloze Galliërs, Germanen en Joden als slaaf naar Rome. Ook hun kinderen waren slaven. Paulus zelf schijnt de kleinzoon te zijn geweest van Joden die als slaven waren weggevoerd, de zoon van een vrijgelaten slaaf van een rijke familie, mogelijk de familie van Sergius Paulus. Net als bij veel afstammelingen van slaven vandaag was hij dan door zijn naam verbonden met zijn slavernijverleden. Maar het leverde hem ook het burgerschap op van Rome, met rechten die andere Joden die nooit tot slaaf gemaakt waren nooit zouden krijgen. Paulus had het recht om de aanklacht tegen hem, waar de doodstraf op stond, te laten behandelen door de hoogste rechter van het rijk: keizer Nero. Als hij in Jeruzalem gearresteerd is, betekend dat een lange reis naar Rome en maanden, misschien zelfs jaren van wachten totdat alle getuigenissen en stukken verzameld zijn (denk aan Paulus’ brieven) en de keizer eens tijd heeft voor zijn eenvoudige onderdaan.

Onesimus is zijn naam

Terwijl Paulus in huisarrest zit met de voortdurende dreiging dat het einde van zijn leven nabij is, zoekt een tiener zijn bescherming. Hij is de weggelopen slaaf en een bekende van volgelingen van Jezus in Colosse, een stad in het achterland van Efeze. Paulus kent zijn baas, Filemon; hij heeft er misschien wel gelogeerd op doorreis van of naar Efeze. Onesimus heet de jongen, ‘nuttig, voordeelbrengend’ – ze gebruikten zelfs de roepnamen van kinderen die in slavernij geboren werden om hun dienende rol te bevestigen! In een vlaag van verstandsverbijstering is deze puber weggelopen uit de kleine stad Kolosse. Misschien werd hij geslagen door zijn meester, misschien was hij boos omdat hij als slaaf niet een relatie kon aangaan met het meisje waarop hij verliefd was, misschien had hij gehoord van de gelijkheid van slaven en vrije mensen die Paulus preekte?

Hij zal niet veel ouder geweest zijn dan Timoteüs toen die door Paulus en Silvanus meegenomen werd op die lange reis naar Asia, Macedonië en Achaje. Nu, zo’n 15 jaar later, nemen Timoteüs en Paulus Onesimus op in hun huis. Ze hebben het goed samen. Onesimus helpt en inspireert Paulus en Paulus mag Onesimus misschien zelfs dopen. Als zijn ‘tweede vader’ ziet hij in dat geval de jongeman opnieuw geboren worden als een geliefd kind van de Allerhoogste God.

Na verloop van tijd wordt de idylle wreed verstoord. Een gezant van de gemeenten in de Lycusvallei, Kolosse, Laodicea en Hiërapolis, bezoekt Paulus in zijn gevangenschap. Het is hun ‘vertrouwde diaken’ Epafras, die Paulus en Timoteüs nog kent vanuit zijn tijd in Efeze; tijdens de onlusten daar werden Paulus, hij en anderen samen gearresteerd. Epafras werd een zendeling in zijn eigen regio. Er woonden al honderden jaren duizenden Joden in deze vallei en het is dan ook niet raar dat hier al snel meerdere groepen waren van volgelingen van Jezus.

Epafras kent Filemon ook, als hij terugreist zal hij hem niet kunnen ontlopen. Trouwens, ook Marcus is van plan om van Rome uit naar Klein-Azië te reizen en Kolosse aan te doen. Het zal niet lang duren voordat Filemon weet dat zijn weggelopen slaaf bij Paulus is. En dat kan grote problemen veroorzaken voor Onesimus en de mensen die hem huisvesten of beschermen.

De enige manier waarop de talrijke slaven in de oudheid onder controle gehouden konden worden was door weggelopen slaven zonder pardon te doden of bijna dood te martelen. Kruisiging werd gezien als een passende straf voor weggelopen slaven. Als je daar als slaveneigenaar niet aan meedeed, dan zouden andere slaveneigenaren en het stadsbestuur dat een bedreiging vinden voor hun eigen veiligheid en je daarop aanspreken. Vandaar de huisregels in de brief van Petrus en Silvanus (en ook Marcus was daarbij) die ook aan de mensen in Kolosse gericht was: “Huisknechten, onderwerp je met alle respect aan jullie meesters; niet alleen aan de goede en zachtmoedige maar ook aan de verkeerde.” Wat betekent dat nu voor Onesimus? Moet hij terug naar Kolosse?

De Brieven aan de Kolossenzen en Filemon

Het verhaal is het meest meeslepend als we beide brieven lezen als van Paulus in Rome. Het verhaal dat dan ontstaat is dat van een Paulus die een plan maakt met Epaphras, Onesimus, Timoteüs en Tychikus, een goede vriend die de brieven zal bezorgen. Er komt een algemene brief aan de gemeente in Kolosse waar Onesimus naast Tychikus als afgezanten van Paulus de brief zal voorlezen en naderhand vragen van de gemeente kan beantwoorden. Paulus, Tychikus en Epafras worden beschreven als dienaar (diaken) en slaaf (doulos) van Christus. Onesimus daarentegen wordt aangeduid als ‘de geliefde en trouwe broeder die één van jullie is.’ Paulus zal de verzoening van Christus aan het kruis benadrukken en oproepen tot vergeving tussen broeders en zusters. Daarbij zal hij benadrukken dat er in Christus geen verschil is tussen slaven en vrijen, en anderzijds de huisregels van Petrus opnemen. Hij voegt daar het aspect van de slaveneigenaar aan toe: “Heren, verschaf uw slaven recht en gelijkwaardigheid. Weet dat ook jullie een Heer hebben in de hemel.” Talloze bekenden, waaronder Marcus die nog op bezoek zal komen, doen de groeten aan de gemeente en Paulus vraagt nadrukkelijk dat de brieven voor Kolosse en Laodicea beiden in alle gemeenten voorgelezen zullen worden.

Deze brief heeft nog een taak te vervullen. Epafras heeft mogelijk problemen gemeld die erg lijken op de situatie in Antiochië, Galatië, Efeze, Korinthe en Rome: er zijn mensen die Joodse tradities en wetten willen opleggen aan de gemeente , wat je mag eten, wat je mag aanraken, sabbatsrust en welke feestdagen je moet vieren. Net als in het Evangelie naar Marcus worden het ‘overlevering van mensen genoemd.’ Maar Paulus noemt dit alles ook ‘engelenverering,’ en de 'kosmische elementen' waar Christus ons van bevrijd heeft. Velen denken dan aan een exotische sekte in Kolosse die de Joodse wet hooghoudt. Maar je kunt het ook zien als het specifieke taalgebruik van Paulus: in zijn Brief aan de Galaten verklaarde hij de Joodse wetten van tijdelijke aard omdat ze gegeven zijn door engelen en ons binden aan de kosmische elementen. De belofte van de allerhoogste God geldt voor eeuwig: alle volken zullen in Abraham gezegend worden. Maar als Paulus dat nog steeds vindt, vraag je dan, hoe kan het dan zijn dat er nieuwe huisregels staan in dezelfde brief? En daarmee kom je bij de kern van die huisregels: het gaat niet om tijdloze wetten die de geloofsgemeenschap of de overheid met dwang moet opleggen, maar om de vrijwillige liefdesgaven van mensen in deze wereld die weten hoe kostbaar zij allen zijn in de ogen van hun hemelse vader.

Met deze bril op zie je belangrijke overeenkomsten met de brieven uit de 50’er jaren. Paulus zit gevangen voor zijn evangelie dat het onderscheid dat de Wet maakt tussen Joden en niet-Joden is doorbroken. Door de doop is de oude mens gestorven en de nieuwe mens met Christus opgestaan, zonder onderscheid tussen volken, tussen besnedenen en onbesnedenen of tussen slaven en vrijen. De liefde overwint.

Tegelijkertijd is er een adembenemend vergezicht: Door Jezus, zingt Kol 1:15-19, is alles geschapen, door zijn kruisiging alles verzoend. Als Paulus de schrijver is, dan heeft hij hier zijn ontdekkingstocht voortgezet die begon met de negatieve rol van hemelse machten in 1Kor 2, het grote heilsplan in Rom 11 en de neerdaling van de hemelse Jezus in Fil 2.

Daarnaast komt er een verzoekschrift speciaal gericht aan Filemon, die Tychikus zal voorlezen in de gemeente. In de brief wordt het gezamenlijke benadrukt: we zijn mede-werkers, mede-strijders zelfs. Filemon wordt uitgebreid geprezen. Paulus kondigt aan dat hij graag komt logeren en er worden weer uitgebreid groeten gedaan. Alles wordt gedaan om er zeker van te zijn dat Filemon het verzoek zal inwilligen om Onesimus als een geliefde broeder weer in zijn huis op te nemen. “Ontvang hem zoals je mij zou ontvangen,” schrijft Paulus, “hij is mijn zoon en ik ben innig met hem verbonden.” Paulus bedankt Filemon voor de gift die hij hem door Onesimus gegeven heeft. Het beroep dat hij op Filemon doet in vers 8-20 is een hoogtepunt in de brieven van Paulus.

Hoe het is afgelopen weten we niet, maar 50 jaar later is er een bisschop in Efeze die Onesimus heet. Het zou mooi zijn, misschien te mooi om waar zijn, als het de Onesimus van deze brief was. Met het huis van Filemon is het minder goed afgelopen. Volgens verschillende bronnen werd de vallei in het jaar 60, 64 en/of 68 getroffen door aardbevingen. Laodicea en Hiërapolis kwamen er weer bovenop, maar Kolosse bleef een ruïne.

De Rondzendbrief aan Laodicenzen, Efeziërs en anderen

Er is iets raars aan de hand met de prachtige brief aan de Efeziërs en dat zie je vooral als je hem vergelijkt met de brief aan de Kolossenzen. Voor een deel gaat het om dezelfde thema’s, beiden zijn ze door Paulus in gevangenschap geschreven in afwachting van zijn rechtszaak, en beiden worden ze gebracht door Tychikus. Maar in de brief aan de Efeziërs worden geen groeten overgebracht. En dat terwijl Tychikus uit Asia kwam en met Paulus in Efeze gewerkt had. Timoteüs had er zelfs de gemeenten georganiseerd toen Paulus de stad moest ontvluchten, maar ook daar wordt met geen woord over gerept. Sterker nog, in Efeze 3:4 lijkt Paulus zijn kijk op het evangelie, dat heidenen zoals de ontvangers van de brief (2:11) samen met de Joden erfgenamen zijn van de belofte, voor het eerst aan hen te verkondigen! Hij zegt ook voor hen te bidden sinds hij gehoord heeft van hun geloof in de Here Jezus (1:15). Wie een fictieve brief van Paulus aan de Efeziërs had willen schrijven had – zeker met het voorbeeld van Kolossenzen in de hand – echt wel wat beter zijn best kunnen doen!

Als je oude kopieën van deze brief bekijkt kun je zien dat soms de woorden “in Efeze” ontbreken in de openingszinnen. In de tweede eeuw kenden sommigen deze brief als de Brief aan de Loadicenzen wat veel beter zou passen. Laodicea lag dicht bij Kolosse en Paulus kende de gemeente daar nog niet. Een aantrekkelijke oplossing van het raadsel is de gedachte van sommige bijbelwetenschappers dat Paulus en Tychikus deze brief gezien hebben als rondzendbrief voor meerdere gemeenten in Asia, of dat de Laodicenzen de brief – zonder de meer persoonlijke elementen - hebben gekopieerd en doorgestuurd naar andere gemeenten. En, inderdaad, het kan goed zijn dat de gezamenlijke auteurs (Paulus, Timoteüs en Tychikus) een behoorlijk stuk overgenomen hadden uit de brief aan de Kolossenzen. Het kan ook zijn dat de plaatsnaam Efeze pas in de tweede eeuw werd toegevoegd in Efeze zelf, toen de gemeente daar bestond uit mensen die Paulus niet persoonlijk gekend hadden.

In die zin is de brief uniek, omdat ze nu eens niet het evangelie van Paulus verdedigt tegenover hem bekende Joodse gelovigen in de gemengde gemeenten van Galatië, Korinthe, of Rome, maar het samenvat voor hem onbekende bekeerlingen uit de volken. De schrijver lijkt daarbij bewust te variëren op het vreemdelingschap in de eerste brief van Petrus:

"Zo zijn jullie dan géén ‘vreemden en bijwoners’ meer,

maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,

gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten.

Christus is de hoeksteen in wie het hele gebouw, in harmonie bijeengevoegd, oprijst tot een heilige tempel in de Heer;

in wie ook jullie samengebouwd worden tot Gods geestelijke woning."

Zo gelezen, verteld deze rondzendbrief het verhaal van een Paulus die (verzoend met Jakobus en Petrus) de hele beweging steeds meer is gaan zien als Gods tempel en als het lichaam van Christus. Daarmee zet het een ontwikkeling voort die al begon in de vijftiger jaren, toen Paulus ging collecteren onder de volken voor de armen in Jeruzalem en in de Romeinenbrief nadacht over de rol van Joden en niet-Joden in Gods heilsplan.

We zagen al hoe Paulus voor het eerst in de brief aan de Filippenzen komt met de gedachte dat Christus is neergedaald vanuit Gods heerlijkheid. In Ef 4:9 lijkt dit inzicht nog een redelijk nieuw inzicht, verkregen uit het lezen van Psalm 68:19, waar de dichter zegt dat de Heer opstijgt naar omhoog: “wat kan dat anders betekenen,” vraagt Paulus, “dan dat de Heer eerst is afgedaald naar beneden?” Dat inspireert hem om ook in dat opzicht Jezus te willen volgen: ‘wie zich vernedert zal verhoogd worden.’

Tijdens een langdurig wachten op zijn berechting, zowel in Judea als in Rome, zal de gedachtenvorming van Paulus verder gegaan zijn. Meer en meer ook leert Paulus in twee werkelijkheden te leven: We leven op aarde én in de hemel, Jezus is opgevaren ten hemel én in ons hart komen wonen. In die zin zijn we al met hem gestorven en opgestaan: Hij is in ons opgestaan (hierop zal in II Timoteüs nog een vervolg komen).

Ook de huisregels heeft deze Paulus dan zo omarmd. Geïnspireerd door Jezus als mensenkind en zoon van God, als gezalfde en gekruisigde, als koning en knecht, beschrijft hij de relaties tussen mannen en vrouwen en slaven en meesters. De radicale gelijkheid in Christus transformeert onze ongelijke relaties hier op aarde. Onze waardigheid wordt niet bepaald door onze plek op de sociale ladder van het Romeinse rijk, maar door de wetenschap dat we vrije kinderen van onze hemelse heer zijn. Wanneer wij dienen als echtgenotes, slaven en kinderen dan is dat vanuit onze vrije, koninklijke keuze; zoals Jezus kwam om zondaars te dienen. En zelfs als wij hier al wel een positie van macht en verantwoordelijkheid hebben, dan alleen om de ander te dienen zoals Jezus dat ons voordeed.

Hoe vond je dit hoofdstuk?

Met jullie scores kijken we welke hoofdstukken verbeterd moeten worden. Heb je daar concrete ideeën over, stuur dan een e-mail.

Rating: 5 sterren
2 stemmen

Praat mee

Ga vanaf hier naar de suggesties voor geïnteresseerden, voor geloofsgroepen of voor theologen. Of lees eerst nog even verder voor wat achtergrondinformatie.

Achtergrond: De bevolking van het Romeinse Rijk

Er woonden zo'n 50 tot 60 miljoen mensen in de regio's van het Romeinse Rijk, grofweg een tiende van wat er nu woont. Rome, Alexandrië en wellicht Antiochië hadden honderdduizenden inwoners, Rome misschien zelfs een miljoen op haar hoogtepunt. Maar verder moet je denken aan tienduizenden, duizenden en honderden inwoners per stad.

Sociale klassen

Macht en rijkdom waren enorm scheef verdeeld. Enkele honderden families in Rome waren extreem rijk met name door de veroveringsoorlogen en het om de beurt mogen uitbuiten van de provincies (als gouverneur). In provinciesteden werd de macht verdeeld tussen enkele tientallen families. De oorlogen hadden geleid tot genocide, miljoenen slaven en talloze migranten. In Italië was grofweg een kwart van de bevolking, veelal van buitenlandse herkomst, eigendom van de elite. Maar trouwe slaven konden worden vrijgelaten en kregen dan de achternaam van degene die hen vrijliet. Opstandige slaven werden gemarteld en gedood. De meeste boeren en burgers waren niet rijk. Veel burgers waren loyaliteit verschuldigd aan hun 'patroon,' het hoofd van een van de aanzienlijke families in de stad, die hun belang kon behartigen. Wie te arm werd verkocht zichzelf en zijn familie soms als slaaf om te kunnen overleven. Vreemdelingen hadden geen bescherming. Reizigers die geen burger waren van de stad die ze bezochten moesten voorzichtig zijn. Een uitzondering vormden de burgers van Rome, die genoten in het hele Romeinse Rijk rechtsbescherming.

Huwelijk, geboorte en sterven

De macht van het familiehoofd over de vrouwen, mannen en kinderen in de huishouding was absoluut. Het pijnigen, verminken of doden van eigen kinderen of slaven was niet strafbaar.

Het huwelijk was voor het verwekken van wettige kinderen en erfgenamen. Seksuele trouw werd daarom alleen van de vruchtbare jonge echtgenote verwacht. Slaven hadden geen rechten, ze konden zelfs niet over hun eigen lichaam of seksualiteit beschikken. Dochters van vrije burgers werden in hun tienerjaren uitgehuwelijkt. Mannen trouwden voor het eerst rond hun 25ste. Als een van de partners wegviel bleven oudere (niet langer vruchtbare) weduwen alleen over met hun wezen. Weduwnaars, al waren ze 50 jaar oud, hertrouwden vooral met een tienermeisje of een jonge weduwe, soms niet ouder dan de oudste kinderen. Veel kinderen hadden dus een oudere vader of alleen nog hun moeder. Als vrouwen vruchtbaar bleken en niet voortijdig in het kraambed stierven, baarden ze gemiddeld zo'n 6 tot 9 kinderen. 

De kindersterfte was enorm. De helft van de pasgeborenen stierf voor het vijfde levensjaar. Wie de kindertijd overleefde werd gemiddeld zo'n 50 jaar oud. Het selecte groepje dat die leeftijd ook echt bereikte kreeg er gemiddeld nog zo'n 15 jaar bij. Een kleine groep werd 70 of 80 jaar oud.

Joden

Er waren enkele miljoenen Joden rond het midden van de eerste eeuw, verdeeld over met name Palestina, het oosten van het Romeinse Rijk en het Parthische Rijk (vooral in het gebied dat we nu Irak noemen). Joodse gemeenschappen in de Grieks-Romeinse steden kregen enige vrijheid om hun gemeenschap te besturen (en in toom te houden). 

Filippi aan de Via Egnatia in Macedonië, een Romeinse veteranenkolonie. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.  

Om te onthouden: Nieuwe huisregels, begin jaren 60.

Bijna tien jaar later komen we Paulus en Petrus tegen in Rome. In de brieven die toen vanuit Rome geschreven lijken te zijn, worden diepere inzichten verwoord in wie Jezus is in de hemelse werkelijkheid, en komen praktische regels tot stand voor het leven in onze werkelijkheid. Prachtig dat man en vrouw, slaaf en meester en Jood en niet-Jood gelijk zijn, maar hoe doe je dat als bekeerling en burger in een Grieks-Romeinse stad? Hoe vertaal je de Weg van Jezus naar de Grieks-Romeinse huishoudens van de eerste eeuw?

  • We beginnen met de brief van Paulus en Timotheüs aan de Filippenzen. Blijkbaar is Paulus gearresteerd en aangeklaagd vanwege de opschudding die hij veroorzaakt heeft in Efeze of Jeruzalem. In de rechtszaal hebben zijn Joodse geloofsgenoten, zelfs medevolgelingen van Jezus, tegen hem getuigd. Maar zo heeft het evangelie wel zelfs de hofhouding van de Romeinse keizer Nero bereikt. Paulus roept de Filippenzen op om te leven naar het voorbeeld van Jezus, die als Zoon van God mens werd en zich vernederde tot het kruis, zodat God hem verheerlijkt als Heer van alles en iedereen.
  • Hun vriend Silas vraagt Petrus om een brief voor de gemeenten in Klein-Azië. Ook Marcus doet de groeten. In I Petrus worden de huisregels uiteengezet. Niet de Joodse wet is het uitgangspunt, maar het voorbeeld van Jezus. Petrus roept de gelovigen op om de sociale verhoudingen te respecteren. Ze kunnen beter onrecht lijden van hun man, hun heer of de keizer, om zo de ander te winnen voor de liefde van God. Petrus ziet de gemeente als de geestelijke tempel waarin God onder ons woont.
  • Ook Paulus zal de huisregels verspreiden via een rondzendbrief (waarvan wij de kopie voor de Efeziërs lezen) die Tychikus naar Klein-Azië zal brengen. Maar hij wordt wel meteen op de proef gesteld want in zijn huisarrest heeft een weggelopen slaaf uit Kolosse onderdak en vriendschap geboden. Onesimus heet de jongen die moet vrezen voor geseling en misschien zelfs de dood als zijn meester hem in handen krijgt. Maar zijn meester is lid van de gemeente van Kolosse. Ze sturen Onesimus met brieven aan de Kolossenzen waarvan een specifiek gericht aan zijn meester Filemon, met een klemmend beroep om Onesimus als hun broeder in liefde op te nemen. In deze brieven wordt het beeld van Jezus uitgewerkt voordat hij geboren was: als de eerstgeborene van Gods schepping, en als de scheppingskracht van God. Dat heeft een mystieke betekenis: hij woont evenzeer in de hemel als in ons hart.