Het meer van Galilea en Rome, de jaren 40, 50 en 60

Zo herinneren ze zich hem in Rome: als een Galilese visser van een jaar of veertig. Simeon Kefas, ‘de rots’, had Jezus hem genoemd. Zijn naam verandert onderweg in het Griekse Simon Petrus, al blijft hij dat wat vreemd vinden, want zijn Grieks is matig en Latijn spreekt hij al helemaal niet. Hij heeft een jongeman bij zich, het neefje van Jozef Barnabas. In Jeruzalem heet hij Jochanan, Johannes voor zijn griekssprekende vrienden; in Rome noemen ze hem Marcus.
Petrus gaat langs bij Joden die van Jezus gehoord hebben toen ze in Jeruzalem verbleven voor zaken en een bezoek aan de tempel. Nu zoekt hij ze op en zij nodigen vrienden en familie uit om de reiziger uit Jeruzalem te horen. Sommigen van hen kennen spreuken van Jezus. Petrus vertelt de anekdotes erbij en Marcus vertaalt ze naar het Grieks. Veel verhalen kan hij ondertussen dromen, al weet je nooit wat voor draai Petrus er hier vanavond voor deze groep mensen aan zal geven. Soms, als Petrus niet goed uit zijn woorden komt, maakt Marcus zijn zinnen voor hem af. Hij is als een zoon voor me, zou Petrus zeggen.

Petrus in de 4e-eeuwse catacombe van Thecla, Rome

De politiek van de jaren 40

Toen Caligula onverwacht vermoord werd op 24 januari van het jaar 41, duwde zijn vriend Agrippa, een kleinzoon van Herodes de Grote, de stotterende Claudius het toneel op, waar de soldaten deze oom van Caligula toejuichten als de nieuwe keizer. De dankbare Claudius maakte Agrippa tot koning van heel Israël. Agrippa noemde zich niet langer naar Herodes, hij was immers ook een kleinzoon van de laatste Joodse koningin uit een roemrijk geslacht van priester-koningen. Op zijn munten lezen we ‘De Grote Koning Agrippa.’
In het boek Handelingen wordt verteld hoe de nieuwe koning de Joodse leiders een plezier wil doen door de apostel Jacobus (de broer van Johannes) te onthoofden. Petrus wordt ook gearresteerd maar hij ontkomt op wonderlijke wijze en wordt verborgen door de familie van Johannes Marcus. Zodra het kan sturen ze hem naar de kust. Vandaar moet hij verder gereisd zijn, tenminste totdat Agrippa gestorven was in het jaar 44 en Judea weer een Romeinse provincie werd.

Misschien is Petrus via Antiochië, naar Rome gereisd. Beide steden zouden hem later claimen als hun ‘bisschop,’ al werd er met die term in de eerste eeuw iets anders bedoeld dan later. Misschien verliet de jonge Marcus zijn moeder Maria en ging hij met Petrus mee op avontuur. ‘Vanwege zijn talenknobbel,’ zeiden ze. Een kerkvader schrijft dat Petrus in het tweede jaar van Claudius aankwam in Rome. Een Romeins historicus schrijft dat Claudius een paar jaar later de nodige Joden uit de stad verbant vanwege onenigheid over ene ‘Chrestos,’ wat verdacht veel op ‘Christus’ lijkt en toen hetzelfde uitgesproken werd. Volgens het boek Handelingen komt een deel van hen naar Korinthe, een tweetalige Romeinse kolonie in Griekenland, net wanneer Paulus daar ook aankomt rond het jaar 49. Het is opvallend hoeveel groeten er over-en-weer zullen gaan tussen Rome en Korinthe in Romeinen 16. Zou het zo zijn?
Hoe dan ook, een deel van de volgelingen van Jezus in de jaren 50 in Korinthe is er trots op dat ze ‘van Petrus’ zijn: ze hebben het evangelie van hem gehoord en sommigen zijn door hem gedoopt. Ze noemen hem zelfs nog bij zijn Aramese naam, Kefas.

Visserslatijn

De evangeliën staan vol verhalen die alleen een Galilese visser echt begrijpen kan. Iemand zoals Mendel Nun, die als 21-jarige immigrant visser werd in kibboets Ein Gev aan het meer van Galilea. In 1939 leerde hij daar van de Arabische vissers om op traditionele wijze te vissen, met spiegelnetten, treknetten en werpnetten. Ze vingen sardines, kamvissen en barbelen.

Toen Mendel Nun archeoloog werd ontdekte hij een schat aan informatie in het visserslatijn van Marcus, Matteüs, Lucas en Johannes – als je hun verhalen beluistert en bevraagt met de kennis van een traditionele visser en archeoloog.

De netten

Ze hadden de hele nacht niets gevangen, vertelt Lucas, maar Jezus zei: "Zet de netten uit aan de andere zijde van de boot." Toen zaten de netten vol vis.
Sommigen vertalen hier: het net uitwerpen, maar dat is hier geen goede vertaling, leren we van Mendel Nun. Vissers lieten de netten zakken: dubbele, gespiegelde netten die als een muur rondom een school kamvissen kwamen te staan. Je jaagde de vissen op vanuit het midden en ze zwommen zich vast in het dubbele net. Hij had ze nog wel gezien: zo’n enorme school vissen die in de winterkou de relatieve warmte zocht van het binnenstromende bronwater bij Tabgha, net buiten Kapernaüm.

Het wonder was niet dat de netten zo vol waren maar dat de jongens al die tijd niks vingen totdat die landrot als eerste de school vissen zag. Het voelde alsof God met dat ‘wonder’ tegen hen zei dat ze achter Jezus aan moesten gaan en – wat Jezus zei – vissers van mensen moesten worden.

Het kussen

Tegen de avond staken de scheepjes het meer over. "Laten we ook gaan," zei Jezus. Maar toen het ging stormen lag hij te slapen op het kussen, vertelt Marcus. Aan de overkant stapte Jezus uit de boot en vond hij een man vol smerige geesten. Jezus dreef ze uit en een kudde varkens sloeg op hol de heuvel af, het water in. Het was geen joods gebied.

Hadden jullie een kussen bij je in de boot? vraag je dan.

Mendel Nun antwoordt: Jezus lag te slapen op ‘het evenwichtskussen,’ zoals Arabische vissers het nog steeds noemen, een zak vol zand waarmee we de boot konden uitlijnen in het water. Het stormt vaak in de avond op het meer, kort maar hevig.’

Maar waarom gingen de scheepjes ’s nachts het water op? wil je weten.
Ze vertrokken in de nacht om op tijd te zijn voor het paaien van de sardines op de zandgronden bij Wadi Samakh, dat is de grootste vangst van het jaar. Ook de grotere barbelen kwamen daarop af om te jagen op de sardines. In het vroege voorjaar vingen ze zoveel vis dat pekelaars de gezouten vis tot in Rome konden verkopen. Je viste dan met treknetten van honderden meters lang. De landrotten gingen mee om de netten binnen te trekken vanaf het land. Daar, bij de graven buiten het dorpje Kursi woonde de bezetene.

De pieren van Kapernaüm

Het was in de lente, vertelt Marcus, nadat Johannes de Doper onthoofd was door Herodes Antipas. Aan de overkant van het meer kwamen we samen en aten we brood en vis in het groene gras. Het was rond Pasen, specificeert Johannes. Ze wilden Jezus koning maken maar hij wilde niet. Hij liep weg.
Wij voeren zonder hem terug naar Kapernaüm, gaat Marcus door. Het was al nacht. De wind werd steeds sterker, de golven steeds hoger. Het licht van maan en sterren werd verduisterd. We roeiden alsof ons leven ervan afhing maar we kwamen nauwelijks vooruit. Toen stond hij daar midden op het water. Maar hij liep niet recht naar ons toe, het leek meer alsof hij ons voorbijliep naar een punt voor de boeg. "Een geest loopt over het water," riep iemand. Geschreeuw, paniek. Toen zei hij:

"Blijf kalm, ik ben het! Wees niet bang."
Petrus was overboord gestapt, zegt Matteüs, maar hij had geen geloof en zou verdronken zijn als Jezus zijn hand niet had gegrepen.
Marcus is enthousiast: Jezus kwam aan boord en de wind ging liggen! 
We wilden hem aan boord nemen, corrigeert Johannes hem. Maar toen merkten we dat we al in Kapernaüm aangekomen waren.

Lucas zwijgt erover.
De pieren van Kapernaüm staken recht het meer in, vertelt Mendel Nun. De boot had erop stuk kunnen slaan in die storm. Is dat waarom Jezus niet rechtstreeks naar de boot kon lopen?

Maakt niet uit, zegt Matteüs, het verhaal van de boot in de storm is het verhaal van ons volk vandaag.

De naakte visser

Johannes vertelt dat ze aan het vissen waren en een man zagen staan op de oever van het meer. "Gooi het over de andere boeg," riep hij. Daar was een school vissen. "Het is de Heer," riep iemand. Petrus omgordde zich met zijn bovenkleed en sprong in het water.
Waarom trok hij zijn bovenkleed aan, vraag je dan, dat wordt dan toch nat? Bedoel je niet dat hij zijn jas omhoogtrok toen hij overboord stapte? Sommigen moderne vertalers maken dat er dan maar van. Zo moet het toch bedoeld zijn?

Nee, hij was naakt, schrijft Johannes. En een visser knikt. Door gewichten aan de rand van het net zakt het werpnet als een parachute naar beneden over een school vissen, vertelt Mendel Nun. Hij heeft talloze gewichten teruggevonden rond het meer. Eén visser, Petrus dus, moest telkens naar de bodem duiken om het net van onderen te sluiten. En ja, dat deed je naakt. Maar ze zouden nooit naakt aan land gaan. Het punt is juist dat Petrus niet wilde wachten tot de boot aan land kwam, om zijn Heer te ontmoeten. Dan liever natte kleren.

Johannes Marcus

De puzzel van het leven van Marcus is lastig te leggen: we hebben maar een paar stukjes en zelfs van die stukjes zijn we niet zeker. In de brieven van Paulus en Petrus komen we de naam Marcus tegen in het verhaal van de zestiger jaren. In I Petrus noemt de schrijver Marcus 'mijn zoon' en doet Marcus de groeten aan de volgelingen van Jezus in Klein-Azië. Hij wordt Paulus' 'medewerker' genoemd en de 'neef van Barnabas' in de brieven aan de Filemon en Kolossenzen. Zijn reis naar Kolosse in Klein-Azië wordt daarin aangekondigd. In II Timoteüs wordt gevraagd hem uit Efeze mee te nemen naar Paulus en Lucas in Rome.

In het boek Handelingen is Johannes Marcus (een Joodse en een Romeinse naam) de zoon van Maria, de welgestelde vrouw in Jeruzalem waar de gemeente samenkwam toen Petrus begin jaren 40 uit de gevangenis bevrijd werd. Lucas vertelt dat de jonge Marcus rond die tijd meegenomen werd door Barnabas en Paulus naar Antiochië en vervolgens naar Cyprus; een paar jaar later bezocht hij het eiland opnieuw met Barnabas. Daarna wordt het stil in de bronnen.

Latere kerkvaders melden dat Marcus in het jaar 42 met Petrus in Rome was (dat zou dan direct na het eerste bezoek aan Cyprus moeten zijn geweest) en rond het jaar 49 afreisde naar Alexandrië. In het jaar 62 zou hij daar zijn opgevolgd als 'bisschop' door Anianus. Ook wordt gezegd dat er rond 68 terug was en de marteldood stierf. De traditie is verdeeld of hij voor of na zijn bezoek aan Alexandrië zijn evangelie geschreven zou hebben. Morton Smith, een vooraanstaand bijbelgeleerde, claimde zelfs een oude bron uit Alexandrië gevonden te hebben waarin sprake is van een 'geheime,' langere versie van het Evangelie naar Marcus. Maar anderen denken dat de inmiddels overleden Smith deze bron zelf verzonnen heeft.

Het Evangelie naar Marcus

Je kunt niet met zekerheid zeggen of Marcus dit evangelie geschreven heeft, zeggen de geleerden en dat is waar. De namen van de evangelisten zijn pas later toegevoegd. En het verhaal lijkt ook niet in een keer zijn huidige vorm te hebben gekregen. Waar onderdelen, zoals het lijdensverhaal, in de 40-er jaren vaste vorm kregen, werd het pas in de jaren 50 en 60 op papier gezet in twee of meer edities. Maar we kunnen wel zien dat deze verhalen teruggingen op de Aramese verhalen van Galilese vissers. Ze kregen vorm in het Grieks als spreuken en anekdotes. We weten ook dat maar weinig mensen ontwikkeld genoeg waren om ze in het Grieks op te schrijven en er een goed lopend geheel van te maken.
We zoeken iemand van de tweede generatie, die het Aramees van de vissers omzette in het Grieks van nieuwe volgelingen van Jezus rond de Middellandse Zee. Hij of zij hoeft er niet zelf bij te zijn geweest, maar moet wel de kennis, de geloofwaardigheid en de taalvaardigheid gehad hebben om dit verhaal zo te kunnen schrijven dat andere volgelingen van Jezus het overnamen.
We zoeken iemand die bij Simon van Cyrene, die het kruis van Jezus droeg, niet denkt aan iemand van vroeger ver weg, maar aan de vader van Alexander en Rufus die zijn eerste lezers ook kennen, – mogelijk de Rufus die we met zijn moeder in Rome tegenkomen in de jaren 50. Een internationaal gezin met Joodse, Griekse en Romeinse namen, waarin onze schrijver zich thuis voelt.
We zoeken iemand als Johannes Marcus.

De verteller

Marcus heeft een vlotte pen. Losse anekdotes weet hij in elkaar te schuiven als sandwich-broodjes en hij is niet bang om materiaal weg te laten. Zoals de regisseur Alfred Hitchcock liet optekenen in 1966: “Making a film means, first of all, to tell a story. That story can be an improbable one, but it should never be banal. It must be dramatic and human. What is drama, after all, but life with the dull bits cut out?”
Als je geen visser bent, als je niet weet wanneer de kamvissen samenscholen en de sardines paaien, wanneer het gras groent en wanneer de winter valt, ja dan zou je kunnen denken dat het hele verhaal van Marcus maar een paar maanden beslaat. Maar wie de seizoenen kent ziet dat het na de arrestatie van Johannes nog twee jaar duurt voor Jezus gekruisigd wordt.
Lees het eens in een keer door, of luister naar iemand die het beeldend voorleest. Er zijn mensen die Marcus als theatervoorstelling hebben gebracht, zonder de tekst te hoeven veranderen. Het verhaal heeft dan ook een natuurlijke vorm: er is een hoopvol maar verwarrend begin met Johannes de Doper, een crisis in het midden en een einde waarin Jezus gekruisigd wordt. Het draaipunt van het verhaal is de transfiguratie van Jezus in de bergen bij Caesarea Filippi, als hij het verst verwijderd is van Jeruzalem en worstelt met zijn roeping. “Jij bent mijn geliefd kind,” klinkt Gods stem. Jezus wordt zo drie keer erkend als Gods zoon: bij zijn doop, daar in de bergen van Caesarea Filippi en bij zijn sterven – maar die laatste keer uit de mond van de centurion die hem zijn laatste adem zag uitblazen.
Marcus zet dan ook de toon voor de latere vertellingen over Jezus. Zijn driedelige structuur vormt het hart van de vijfdelige structuren van Matteüs en Lucas. Zij voegen de geboorte- en opstandingsverhalen toe; ook weven ze een grote hoeveelheid spreuken van Jezus door de verhalen van Marcus.

Het eerste evangelie
De meeste onderzoekers gaan ervan uit dat het Evangelie naar Marcus ons oudste evangelie is en dat het rond het jaar 70 zijn huidige vorm gekregen heeft, waarna het onder meer door Matteüs en Lucas gebruikt zou zijn. Het is wel de vraag of er eerdere versies waren en dan ook meerdere schrijvers (Lucas ging wellicht uit van een kortere versie dan Matteüs). Tegelijkertijd zijn er bijbelwetenschappers die erop wijzen dat veel van de verhalen zelf kregen al vorm kregen in het Aramees en in de jaren 40. Hele stukken ademen nog de verhalen van vissers. De mondelinge leer van Jezus hoeft nog niet te boek gesteld te worden. De verwachtingen van de eindtijd worden beschreven met het beeld van Caligula, een ‘wetteloze gruwel,’ voor ogen en nog niet vanuit het besef dat de tempel al verwoest is.

Hoor ook wat hij zegt over geesten. Voor Marcus zijn dat geen spoken, maar vooral ziekten en zieke gedachten die mensen beheersen en die door zich verplaatsen door de lucht. Dat is de Aramese manier van kijken. Zij hielden rekening met besmettingsgevaar, Grieken geloofden daar niet in.

Marcus werd de basis voor Matteüs en Lucas om hun verhaal te schrijven, terwijl ze het niet altijd even soepele Grieks van Marcus ontdoen van fouten, veroorzaakt door het onderliggende Aramees. Ook schrappen ze zijn verwijzingen naar ‘Herodianen,’ die in hun tijd geen rol meer speelden in Israël.

Herodianen zeiden dat Antipas, de zoon van Herodes die toen nog alleen over Galilea regeerde, bij de gratie Gods moest regeren over heel Israël. Op zijn munten noemde hij zich alvast Herodes. De beweging van de Herodianen verloor haar relevantie na zijn verbanning in het jaar 39. Koning Agrippa, die regeerde tot het jaar 44, had ouder koninklijk bloed en noemde zich geen Herodes op zijn munten; hij noemde zich Agrippa de Grote Koning.

Schrik en ontzetting

Ook in theologisch opzicht is dit evangelie vroeg. De vraag naar het lijden van de gezalfde wordt nog op pijnlijke wijze gesteld. Er is ook een voortdurende spanning in het verhaal tussen Jezus als mensenkind en zoon van God. Jezus is de zoon van God zonder dat er gesproken wordt van een maagdelijke geboorte. Sterker nog, in Mar 3 zeggen zijn moeder en broers dat hij buiten zichzelf is, als hij weer eens te laat thuiskomt voor het eten.

Het is een evangelie zonder dat de opgestane heer in beeld komt, zonder zendingsgebod en zonder hemelvaart. De verbijsterde vrouwen die zijn lichaam komen balsemen horen slechts deze woorden:

"Wees niet verbaasd; jullie zoeken Jezus de Nazarener, die gekruisigd was. Hij is opgestaan. Hij is niet hier; zie de plaats waar ze hem gelegd hadden. Maar ga op weg, vertel zijn leerlingen en Petrus dat hij jullie voorgaat naar Galilea: daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie gezegd heeft.”

Haastig gingen ze naar buiten en vluchtten ze weg van het graf. Schrik en ontzetting hadden hun bevangen. Ze zeiden niemand iets; want zij waren bang.

De vrouwen bij het graf. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.

Latere versies hebben dit abrupte einde willen (en gezien het verstrijken van de tijd misschien wel moeten) verbeteren, maar ik vind het prachtig dat sommige manuscripten deze eerste versie hebben bewaard. De eerste lezers en luisteraars worden hier nog doorverwezen naar de getuigen die nog leven. Ga naar Galilea. Zoek ze op. Praat met ze. Laat hen je hun ervaringen vertellen met de levende Heer. Dan begrijp je hoe het Evangelie naar Marcus gelezen werd in de eerste decennia na Jezus’ dood. Niet in de plaats van de levende herinnering of doorgegeven spreuken, maar als het raamwerk waarin die individuele herinneringen nog meer betekenis kregen. Marcus hoef je niet te lezen als het directe verslag van een ooggetuige, maar het is wel geschreven en gelezen in de aanwezigheid van mensen die er al tijdens van Jezus gehoord hadden voordat hij gekruisigd werd. Besef dat de impact van Jezus op hen zo groot was dat ze zulke verhalen over hem konden delen met elkaar. 

Voor lezers van vandaag, zoals wij, mag dat oude einde een uitnodiging zijn om terug te gaan naar het begin van het evangelie, naar Jezus in Galilea, en zijn woorden opnieuw te horen in het licht van de opstanding. Dan lees je het verhaal met andere ogen. Vanuit het retrospectief van de opstanding ontmoet je hem zoals hij nu is.

Hoe vond je dit hoofdstuk?

Met jullie scores kijken we welke hoofdstukken verbeterd moeten worden. Heb je daar concrete ideeën over, stuur dan een e-mail.

Rating: 4.4615384615385 sterren
13 stemmen

Praat mee

Ga vanaf hier naar de suggesties voor geïnteresseerden, voor geloofsgroepen of voor theologen. Of lees eerst nog even verder voor wat achtergrondinformatie.

Achtergrond: Heeft Jezus écht bestaan?

Het probleem is dat vrijwel alles wat we van Jezus weten tot ons komt in de woorden van zijn volgelingen die in hem de door God gestuurde verlosser zagen. Theologen en historici maken daarom een onderscheid tussen de historische Jezus en de verkondigde Jezus. De verkondigde Jezus, de zoon van God, de Messias, is alleen door geloof te kennen. De historische Jezus, de man uit Nazareth, is het mensenleven voor zover dat op grond van geschiedkundig onderzoek te reconstrueren is, ongeacht het geloof van de historicus. Wonderen en een lichamelijke opstanding horen bij de verkondigde Jezus. Ze vallen per definitie buiten het onderzoek naar de historische Jezus. Maar een reputatie als wonderlijke genezer en de getuigenissen van opstandingservaringen van zijn volgelingen horen daar weer wel bij.
Er zijn twee manieren van historisch onderzoek. De eerste, het historisch-kritisch onderzoek, gaat van de bronnen (vooral de eerste drie evangeliën) terug naar Jezus: wat kunnen we met een redelijke mate van zekerheid zeggen dat hij gezegd en gedaan heeft? En dan geef je natuurlijk voorrang aan dingen die de evangelisten zeggen die niet in hun straatje, of dat van de vroege kerk, passen. Dat criterium levert daarmee wel per definitie een vertekend beeld op. En als je streng bent hou je ook niet heel veel over, want wat kan je nu echt zeker weten?

Volgens E.P. Sanders, The Historical Figure of Jesus (1993), zijn historici het hierover eens: Jezus is geboren in de tijd van Herodes en groeide op in Nazareth. Hij werd gedoopt door Johannes, verzamelde leerlingen en verkondigde het ‘Koninkrijk van God’ in de dorpen van Galilea. Rond het jaar 30 ging hij met Pasen naar Jeruzalem, veroorzaakte een opstootje in de tempel, vierde een laatste maaltijd met zijn leerlingen en werd gearresteerd. Hij werd door de hogepriester ondervraagd en daarna op bevel van de Romeinse gouverneur Pilatus gekruisigd. Zijn leerlingen vluchtten eerst weg maar hebben hem daarna als levend ervaren en concludeerden dat hij zou terugkeren als koning. In afwachting daarvan vormden ze een gemeenschap die hem verkondigde als Gods gezalfde.

De tweede methode, die ik gebruik in mijn Psychological Analyses and the Historical Jesus (2011), werkt andersom: wat voor historische Jezus heb je nodig om zijn impact op de bronnen (vooral de oudste brieven) te verklaren? Deze aanpak maakt gebruik van een historisch-kritisch getoetste kern, maar vult die aan met minder zekere elementen totdat er een afdoende en geloofwaardige verklaring ontstaan voor wat we kunnen observeren bij de vertellers en vertalers. Een goede verklaring verklaart wat we lezen in hun geschriften met zo min mogelijk aannamen van buiten de bronnen.

Het zijn ook vragen die je jezelf kunt stellen terwijl je het Nieuwe Testament leest. Welke impact van Jezus vermoed je daar te zien op de mensen die van hem vertelden en zijn boodschap vertaalden? Wat voor Jezus stel je jezelf voor om die impact op hen te verklaren?

Visser op het meer van Galilea. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated.  

Om te onthouden: Visserslatijn, jaren 40, 50 en 60.

Na de dood van Caligula maakt de nieuwe keizer Claudius zijn Joodse vriend Agrippa koning van heel Israël. Deze vervolgt daarop de volgelingen van Jezus. Van Petrus wordt verteld dat hij in het jaar 42 naar Rome vluchtte, begeleid door de meertalige tiener Johannes Marcus, die ook later zou rondreizen in Klein-Azië en Alexandrië. Marcus zou de vissersverhalen van Petrus vertalen in het Grieks en misschien ook het Latijn. Later worden Joden uit Rome weggestuurd vanwege gedoe rondom ene ‘Chrestus,’ en komen we volgelingen van Petrus tegen in Korinte. Iemand als Marcus kan begonnen zijn om die vissersverhalen ook op papier te zetten zodat mensen ook zonder Petrus die verhalen konden blijven delen.

  • Het Evangelie van Marcus is het oudste doorlopende evangelieverhaal, maar nog zonder kerstverhaal of opstandingsverhalen. Het eindigt bij het lege graf op de paasmorgen. Veel losse verhalen en het passieverhaal kregen al vorm in de jaren 40 en het geheel werd in een of twee edities voorgelezen op gemeenteavonden in de jaren 50 en 60. We lezen er unieke details in terug die rechtstreeks teruggaan op Galilese vissers zoals Petrus. We horen van de vragen van Jezus, de weerstand van zijn familie en het onbegrip van de leerlingen. Het keerpunt volgt in de bergen van Libanon, als hij gevlucht is vanwege de onthoofding van Johannes de Doper. Daar, in het holst van de nacht, ‘zien’ onder meer Petrus en Johannes hem in gesprek met Mozes en Elia. Het is een mystieke ervaring die hem weer op de weg naar Jeruzalem zet, waar hij de machthebbers zal confronteren met de boodschap van Gods koningschap. Meer en meer aanvaardt hij dat hij zal sterven in Jeruzalem als het paaslam van het nieuwe verbond. Dit evangelie gaat vooral over de vraag wie Jezus is als mensenkind en als Gods zoon.