De landen aan de Middellandse Zee, rond het jaar 80

Jezus was niet teruggekomen.

Misschien moet je dat punt even laten bezinken na het lezen van Matteüs: de tempel was gevallen en Jezus was niet teruggekomen.

In een oorlog van zeven jaar, de grootste oorlog in de eerste eeuw, werd het Joodse volk vernederd en verscheurd, tallozen werden vermoord, op de vlucht gejaagd of tot slaaf gemaakt, en Jeruzalem werd verbrand en verwoest. De God van Israël had zijn volk in de steek gelaten. De rebellen hadden het verkeerd gezien en stierven als ratten in de val. De Joden zijn er voor eeuwen door getekend. Het Rabbijnse Jodendom, zonder koning en hogepriester, is uit de puinhopen van deze oorlog geboren.

Ook de volgelingen van Jezus, de meesten net zo Joods als hun broeders en zusters, stonden met de mond vol tanden. Ook zij hadden alle reden om te geloven in een kosmische strijd van goed en kwaad: de keizer die de christenen in Rome als fakkels had verbrand zou verslagen worden door God en zijn gezalfde. Nero was dood, maar de Romeinen hadden de oorlog gewonnen en Jezus was niet teruggekomen.

Was dat de wil van de Almachtige God, of werkt de Geest van God op een andere manier? Op een dieper niveau?

Alexandrië, de grootste haven van Egypte waar het graan voor Rome werd verscheept. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated. 

Een nieuwe Messias in Alexandrië?

Er was een jonge priester, Jozef (in Rome zouden ze hem Josephus noemen), die door de rebellen naar Galilea was gestuurd om het verzet te organiseren tegen het naderende Romeinse leger. Generaal Vespasianus en zijn zoon Titus kwamen uit Antiochië met vijf legioenen en hulptroepen: zo’n 70.000 zwaarbewapende, goed getrainde soldaten. Josephus verloor kansloos maar redde zijn eigen leven toen hij Vespasianus begroette: “Niet de Joden, niet keizer Nero, maar u bent de nieuwe heerser van de wereld. U bent de ster die in Israël opkomt en de hele wereld zal beschijnen.”

Vespasianus nam Josephus in dienst als informant, vertaler en woordvoerder. Later, toen Vespasianus keizer geworden was schreef Josephus een geschiedenis van de Joodse Oorlog in zeven boeken, eerst in het Aramees en daarna nogmaals in het Grieks. Hij schreef om zijn heer, de keizer, te behagen en om zijn eigen rol te verdedigen, zowel tegenover zijn volksgenoten als tegenover de Romeinen.

Terug naar het jaar 68. Het Romeinse Rijk staat in brand: in het oosten de Joodse oorlog, in het noorden de Bataafse opstand. In Gallië roept de gouverneur om lagere belastingen en een nieuwe keizer en uit Spanje trekt generaal Galba op naar Rome. Nero pleegt zelfmoord. In januari 69 wordt Galba vermoord omdat de legioenen langs de Rijn een andere keizer willen, generaal Vitellius. In Rome willen ze Otho, maar hij kan niet op tegen de troepen van Vitellius en pleegt na drie maanden zelfmoord. In Syrië, Judea en Egypte roepen de legioenen Vespasianus uit tot keizer. Hij laat de belegering van Jeruzalem over aan zijn zoon Titus en trekt naar Alexandrië in Egypte, waar het graan voor Rome vandaan komt.

De sfeer is opgetogen, messiaans. Enkele decennia later beschrijft de Romeinse historicus Tacitus in zijn Historiën IV.81 hoe zelfs de praktisch ingestelde Vespasianus gaat geloven in zijn goddelijke roeping:

Gedurende de maanden waarin Vespasianus in Alexandrië het vaste seizoen afwachtte van zomerwinden en stabiele zee, vonden tal van wonderlijke fenomenen plaats die wezen op hemelse gunst en een bepaalde sympathie der goden jegens Vespasianus.

Een man uit het lagere volk in Alexandrië, bekend vanwege zijn weggeteerde ogen valt voor hem op de knieën, onder gesteun smekend om een middel tegen zijn blindheid, dit op aanwijzing van de god Serapis (door de Egyptenaren, die in de ban zijn van allerlei bijgeloof, wordt hij meer vereerd dan de rest). Hij smeekte de keizer om de goedheid te hebben zijn wangen en oogkassen te bestrijken met wat speeksel. Een ander met een lamme hand bad hem, op ingeving van dezelfde god, dat ’s keizers voet, zijn voetzool, op die hand zou treden.

Spottende reactie, aanvankelijk, van Vespasianus, hij wuift het weg. Als beiden aanhouden, is hij het ene moment bang voor een imago van lichtgelovigheid, het andere koestert hij hoop vanwege hun verzoeken en de woorden van vleiers. Ten slotte laat hij doktoren inschatten of zo’n blindheid of verlamming te verhelpen is door menselijk ingrijpen.

Die analyseren uiteenlopend. Bij de ene man was het gezichtsvermogen niet volledig aangetast, het zou terugkeren als de obstakels werden opgeruimd; bij de ander waren de gewrichten verkeerd gaan zitten, hier kon toepassing van heilzame kracht herstellend werken. Ja, misschien wensten de goden dat en was voor die goddelijke taak de keizer uitverkoren. En ten slotte: geslaagde genezing zou de Caesar beroemd maken, mislukking maakte slechts de ongelukkigen belachelijk.

Welnu, voor zijn geluk ligt alles binnen bereik, meent Vespasianus, niets is meer te gek, en met een blij gezicht, onder gespannen belangstelling van de massa omstanders, doet hij het gevraagde. Dadelijk was de hand bruikbaar en scheen voor de blinde opnieuw het daglicht. Beide wordt ook thans bevestigd door ooggetuigen, nu het loon voor leugens is weggevallen.

Vertaling Vincent Hunink

Op 20 december wordt Vitellius vermoord en op 21 december erkent de Senaat Vespasianus als keizer, terwijl hij nog in Alexandrië is. Een nieuwe dynastie is geboren. Vespasianus regeert tien jaar en wordt opgevolgd door zijn populaire zoon Titus die twee jaar regeert. Na hem komt zijn jongere broer Domitianus, die vijftien jaar lang keizer zal zijn, tot het jaar 96. Ondertussen ging in Judea de strijd door, zo schrijft Tacitus, ondanks voortekenen in de hemel en rond de tempel dat de goden haar verlaten hadden:

Dit alles alarmeerde maar weinigen. De meesten waren vast overtuigd dat hun aloude priestergeschriften een voorspelling bevatten: juist in die tijd zou de Oriënt sterk worden, men zou starten in Judea en dan meester van de wereld worden. In die orakeltaal waren Vespasianus en Titus voorspeld, maar het volk had zo’n grootse lotsbeschikking betrokken op zichzelf, de normale menselijke gretigheid, zelfs tegenslagen deden hen niet overgaan naar de waarheid.

Vertaling Vincent Hunink

Vespasianus, keizer van 69 tot 79, stierf op 69-jarige leeftijd. Zijn gezicht werd gereconstrueerd door © Daniel Voshart. 

Titus begon het beleg van Jeruzalem enkele dagen voor Pasen met vier legioenen. De stad is te sterk voor een rechtstreekse aanval, maar ze puilt uit van de pelgrims en vluchtelingen die haar van binnenuit zullen opeten. Titus laat Jeruzalem met een hoge wal omringen. Josephus moet de inwoners toespreken en hun vertrouwen op Gods ingrijpen ondergraven.

Lucas beschrijft hoe Jezus dit alles moet hebben voorvoeld:

Hoe Jezus dichterbij kwam met zijn ogen op de stad gericht en om haar moest huilen!

“Hadden jullie vandaag toch maar begrepen wat je vrede brengen zou,” zegt hij, “en wat nu nog verborgen is voor je ogen: Want er zullen dagen over je komen dat je vijanden een wal rondom je zullen opwerpen, je zullen omsingelen en je van alle kanten zullen samendringen. Ze zullen je tot grond toe afbranden en je kinderen die in jou zijn. Ook zullen ze geen steen op de andere laten in jou, omdat je niet de tijd hebt herkend dat naar jou werd omgezien.”

We lezen het in Josephus en Tacitus. Absolute horror. Honderdduizenden doden, honderdduizenden vluchtelingen. Nog eens honderdduizend gevangenen die als slaven, dwangarbeiders en leeuwenvoer werden afgevoerd naar Rome. Aan de eindtijdrede in Marcus en Matteüs, waarin Jezus de mensen smeekt om op tijd te vluchten, voegt Lucas toe hoe het gegaan is:

“Als je Jeruzalem omringt ziet met legerkampen, weet dan dat de tijd van haar verwoesting nabij is. Ben je in Judea? Vlucht dan naar de bergen!

Ben je in de stad? Trek eruit weg! Ben je op het land? Ga de stad niet in. (…)

Ze zullen sneuvelen door de scherpte van het zwaard; ze zullen als gevangenen weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal vertrapt worden door de heidenen, totdat ook hun tijd voorbij is.”

Titus, keizer van 79 tot 81, stierf op 41-jarige leeftijd. Reconstructie door © Daniel Voshart. 

Er wordt gezegd dat veel volgelingen van Jezus inderdaad gevlucht zijn. Velen zullen, zoals zoveel Joden, een weg gevonden hebben naar de Joodse gemeenschappen rondom de Middellandse Zee. Ze zullen opgevangen zijn in de gemeenschappen van Jezus’ volgelingen in steden als Rome, Korinthe en Efeze. Hebben ze hun trauma’s en teleurstellingen kunnen verwerken? Hebben ze het Evangelie naar Matteüs meegenomen? Hebben ze hun opvattingen over de Joodse wet gedeeld, hun herinneringen aan Jezus en de apostelen? Hoe hebben ze gesproken over de conflicten tussen Jacobus, Petrus en Paulus? Hielden zij Paulus verantwoordelijk voor het conflict in Jeruzalem en de steniging van Jacobus? Hoeveel gezag hadden zij onder de gemengde gemeenten van Joden en niet-Joden, die Jezus van Nazareth wilden navolgen? Hoe heeft hun komst het schrijven van het Evangelie naar Lucas en de Handelingen van de Apostelen beïnvloed?

Lucas

"De groeten van Lucas, de geliefde arts," schrijft Paulus tijdens aan de gemeente in Kolosse. En het lijkt erop dat hij het daar heeft over iemand die niet besneden is. Een heiden dus, een godvrezende heiden die de God van Israël aanhing, de ene God. In de brief aan Filemon, lid van die gemeente, noemt hij Lucas zijn "mede-arbeider," samen met Marcus en nog twee mannen. Paulus is dan nog in afwachting van zijn eerste rechtszaak in Rome.

Een paar jaar later, als hij opnieuw in Rome gevangen zit, schrijft hij aan Timoteüs: "Alleen Lucas is nog bij mij; als je komt neem Marcus dan ook mee, want hij is bijzonder nuttig voor mijn taak." Sommige kerkvaders zagen hierin een project van Paulus en Lucas om het evangelie van Paulus te schrijven. Maar als dat al zo is, dan nog is het pas na de Joodse oorlog voltooid, jaren na de dood van Paulus. Lucas zou gestorven zijn in het Griekse Boeotië of Bithynië in Klein-Azië. 

De schrijver presenteert zich

De schrijver van het Evangelie naar Lucas, zoals wij het noemen, heeft het gepubliceerd zonder zichzelf bij naam te noemen. Maar dat betekent niet dat hij niet zichtbaar wordt in de tekst. Net als Josephus in zijn Joodse Oorlog zal doen, begint de schrijver het Evangelie met een voorwoord, waarin hij uitlegt waarom hij een eigen verslag publiceert terwijl er toch al verslagen van anderen beschikbaar zijn:

“Aangezien velen de taak opgepakt hebben om een verhaal op te stellen van de zaken die onder ons tot vervulling zijn gekomen, zoals het ons overgeleverd is door hen die vanaf het begin ooggetuigen en medewerkers van het woord geworden zijn, leek het ook mij goed – alles opnieuw zorgvuldig nagelopen hebbend – om u achtereenvolgens te schrijven, voortreffelijke Theofilus, zodat u zekerheid mag hebben omtrent de dingen waarover u onderwezen bent.”

Met zo’n voorwoord (dat hij hervat aan het begin van het boek Handelingen) wordt de schrijver, met zijn karakter en zijn persoonlijke ervaring, deel van het verhaal. Of dat objectief correct is, valt natuurlijk nog te bezien (ook een roman kan zo’n voorwoord hebben), maar de lezer wordt uitgenodigd om het verhaal te aanvaarden als betrouwbaar en waargebeurd. In ieder geval is het verhaal opmerkelijk accuraat in zijn weergave van de geografie en de bestuurders van tal van plaatsen. In een oud handschrift van het boek Handelingen, dat wat uitgebreider is dan de standaard-versie, wordt de gemengde gemeente van Joden en godvrezende heidenen in Antiochië in de wij-vorm beschreven. Vandaar de gedachte dat de schrijver mogelijk uit die stad afkomstig is.
Deze ‘wij’-figuur zal nog op drie reizen terugkomen. Eerst in Troas, vanwaar Paulus oversteekt naar de stad Filippi in Macedonië (eind jaren 40). Vervolgens tijdens de lange reis midden jaren 50 om geld te werven in Macedonië, Achaje en Asia en dat naar Jeruzalem te brengen. Tenslotte zien we hem een paar jaar later terug als Paulus naar Rome getransporteerd wordt. Ja, zelfs de angstaanjagende schipbreuk beschrijft hij in de wij-vorm. De schrijver is dus niet iemand die overal bij was, maar wel iemand die veel mensen gesproken heeft, goed kon observeren, zijn informatie kon ordenen en dit alles in een omvangrijk werk kon beschrijven. 

Kortom, de arts Lucas is een prima keuze voor wie meent dat de gepresenteerde schrijver ook de echte schrijver is. Hij zou dan de enige niet-joodse schrijver zijn in het Nieuwe Testament. In ieder geval kun je het werk goed lezen vanuit zijn perspectief: een betrouwbare verhalende geschiedenis van Jezus en de missie onder de volken. Het werk is bedoeld om mensen als Theofilus gerust te stellen rond het jaar 80 van de eerste eeuw, zo’n 15 jaar na de dood van Paulus en zo’n 10 jaar na de val van Jeruzalem. Het is geschreven in de tijd dat volgelingen van Jezus uit Palestina met eigen verhalen, overtuigingen en gewoonten zich verspreidden over de gemeenten rond de Middellandse Zee.

Dat betekent niet dat Lucas een onbevooroordeelde historicus is. Zelfs de vermaarde Tacitus was dat niet: als senator was hij pro-Rome en republikeins (dus tegen het keizerschap). Josephus was pro-Joods maar ook loyaal aan zijn patroon, keizer Vespasianus en diens zoon Titus. Het betekent dus niet dat de zaken precies zo gegaan of uitgesproken zijn als Lucas ze beschrijft. De eerste twee hoofdstukken lijken zelfs op een Bollywood-film waarin telkens mensen uitbarsten in liederen. Lucas selecteert, systematiseert en stileert zijn materiaal om zijn punt zo overtuigend mogelijk te maken. Hij brengt zelfs bewust en voor iedereen zichtbare variatie aan in de beschrijvingen van de hemelvaart en de bekering van Paulus. Dat vindt hij mooier of betekenisvol. Toch betekent dat ook weer niet dat Lucas vrij was om wonderen te verzinnen waar hij zelf niet in geloofde. Ook Josephus en Tacitus geloofden in wonderen. Sterker nog, een deel van Lucas’ publiek bestond uit mensen die delen van de geschiedenis zelf meegemaakt hadden. Om hen te overtuigen moet hij geloofwaardig blijven.

Waarom schrijft Lucas?

Er is er veel debat tussen theologen over het doel van het Evangelie en de Handelingen. En waarom stopt het eigenlijk bij de aankomst van Paulus in Rome, net voordat de rechtszaak en de vervolgingen onder Nero beginnen? Het antwoord op die vragen hangt natuurlijk voor een groot deel af van de tijd waarin dit werk geschreven zou zijn. In dit boek begin ik steeds met hoe het geschrift zichzelf presenteert en hier is dat als het tweedelig werk van een reisgenoot van Paulus. Maar je kunt ook denken aan twee losse werken van later datum die samen of elk apart die indruk willen wekken. Beide lezingen hebben genoeg aanhang onder theologen om serieus te nemen, maar voor ons verhaal gaan we uit van de eerste.

Als je deze boeken leest als een tweedelig werk van een reisgenoot van Paulus, dan nog zijn er nog minstens vijf manieren waarop je je kunt afvragen waarom ‘Lucas’ schrijf. In de voorwoorden van het Evangelie en van de Handelingen kun je lezen wat hij zelf als reden geeft. Je kunt uit de inleiding, opbouw en conclusie van zijn werk afleiden wat hij belangrijk vond. Je kunt ook onderzoeken wat hij anders doet dan Marcus en Matteüs. Je kunt zijn reisverslag en theologie vergelijken met de brieven van Paulus. En je kunt nadenken over wat hij zou moeten doen in zijn situatie. Het gaat erom dat we lezen op een manier die recht doet aan al die vijf perspectieven.

Een ding is duidelijk: Lucas is in de verdediging. Hij verdedigt het evangelie, de missie onder de volken, Paulus en natuurlijk ook zichzelf als lid van die beweging. Daarbovenop moet hij de volgelingen van Paulus overtuigen van een compromis. En dat doet hij in een adembenemend werk: hij beschrijft het evangelie en de missie onder de volken als het doorgaande heilswerk van de Geest. Hij ziet een lijn in de geschiedenis van incarnatie en inspiratie. En hij ziet een uitweg voor de Joden en niet-Joden in de gemeenten, gebaseerd op het luisteren naar de Geest van Jezus. Niet naar de Geest die ooit in Jezus van Nazareth was, maar naar Jezus die door de Heilige Geest vandaag nog steeds zijn volgelingen leidt. 

De opbouw van Evangelie en Handelingen

Lucas levert met zijn tweedelig werk meer dan een kwart van het Nieuwe Testament; het duurt vier tot vijf uur om het allemaal te beluisteren. Zijn werk heeft ons enorm beïnvloed. Zoals Marcus onze visie vormgaf op het lijden van Jezus en Matteüs op zijn leer, zo vormt Lucas ons beeld van Paulus en de gemeente. Zijn werk heeft ook de feestdagen en het kerkelijk jaar bepaald: Niet alleen met Pasen, maar ook met Advent, Kerst, Hemelvaart en Pinksteren beleven we elk jaar weer het verhaal van Jezus en de apostelen zoals Lucas het opschreef.

Voor Lucas is de heilsgeschiedenis op te delen in drieën:

  • Eerst gaf God de Wet en de Profeten, die spraken door de inspiratie van de Heilige Geest. Deze periode eindigt met Johannes (aldus Lucas 16:6).

Overgang: Dan is er sprake van een overgangsperiode vol van engelen waarin hemel en aarde elkaar raken. Jezus wordt verwekt uit en gedoopt in Heilige Geest. Daarna wordt hij 40 dagen in de woestijn verzocht door de duivel en gediend door engelen. Als verteller brengt Lucas dat onder woorden door de geboorteverhalen te schrijven in de stijl van de geboorteverhalen in Genesis en I Samuël, en door de komst van Johannes als een oudtestamentische profeet aan te kondigen met het jaar en de regering van de heersers wanneer hij opstaat. Dat roept een vraag op bij mij als lezer: Zou Lucas deze transitieperiode bewust meer bijbels en symbolisch beschrijven omdat hij het ‘historische’ taalgebruik hier minder geschikt voor vindt?

  • Vervolgens begint Jezus, die dan net als zijn voorgangers Jozua en David ongeveer 30 jaar is, in Nazareth met de profetie van Jesaja: “De Geest van de Heer is op mij om armen het Evangelie te verkondigen.” Hiermee begint het ‘aangename jaar des Heren’ en het koninkrijk van God waar Johannes alleen van kon dromen (7:28). Jezus inaugureert het koninkrijk van God met wonderen en tekenen. Hij belichaamt Gods Geest.

Overgang: Met zijn opstanding breekt er opnieuw een overgangsperiode aan waarin engelen het woord nemen. De opgestane Jezus openbaart zich 40 dagen lang aan zijn leerlingen en vaart op naar de hemel om vandaar, aan de rechterhand van God, de Heilige Geest uit te storten op zijn volgelingen (Handelingen 2:33).

  • Daarmee begint voor Petrus de tijd die profeet Joel aankondigde: “In de laatste dagen zal ik mijn Geest uitstorten.” En de verkondiging van het evangelie begint die dag met Joden en bekeerlingen uit alle volken. Door de Heilige Geest inspireert en leidt Jezus zijn apostelen. Ze spreken in tongen, zien visioenen en genezen mensen.

Je kunt zien hoe het Evangelie en de Handelingen op enigszins vergelijkbare wijze gestructureerd zijn. De overgangsperioden lijken op elkaar en ook het begin van de prediking. Dat geldt ook voor het motief van de reis: in het Evangelie naar Marcus is de verheerlijking op de berg het draaipunt waarna Jezus op weg gaat naar zijn sterven in Jeruzalem. Lucas versterkt dat zelfs nog wat: op de berg wordt duidelijk dat Jezus zal zijn 'exodus' zal hebben in Jeruzalem en vanaf dat moment is het één lange reis naar Pasen. Zelfs al gebruikt Lucas materiaal dat wijst op meerdere reizen op en neer (zoals in het Evangelie naar Johannes), dan nog bewaart hij Jeruzalem voor het laatst. In de Handelingen is het niet anders. Alles draait om de vergadering van de apostelen in hoofdstuk 15 over de vraag of heidenen als niet-Joden gered kunnen worden of dat ze zich eerst moeten bekeren tot het Jodendom. Tot drie keer toe (15:20, 15:29 en 21:25) worden deze vier minimumeisen voor niet-Joden om een gemeenschap met koosjere Joden niet te verontreinigen: “zie af van afgodsoffers, bloed, verstikte dieren en ontucht.” Zodra dat duidelijk is, volgt Lucas alleen nog maar Paulus op zijn reizen tot hij uiteindelijk in Rome komt, zelfs al gebruikt hij materiaal waaruit blijkt dat het probleem nog niet was opgelost en dat het evangelie al eerder in Rome was aangekomen.  

Zou het kunnen zijn dat Theofilus in die jaren het evangelie gehoord heeft van Paulus zelf, of dat hij Lida was van één van de gemeenten die Paulus geïnspireerd had met zijn brieven en gezanten?

Vergelijking met Marcus en Matteüs

Net als Matteüs gebruikt Lucas het Evangelie naar Marcus als de ruggengraat voor zijn vertelling, afgewisseld met spreuken van Jezus (grotendeels dezelfde die Matteüs gebruikt). En net als Matteüs laat hij dit voorafgaan door een zwangerschap uit Heilige Geest en een afstammingslijst. Ook Lucas sluit hij af met opstandingservaringen en een afscheidsscène. Net als Matteüs verbetert hij het soms ‘Aramese’ Grieks van Marcus. Alleen is er ook behoorlijk wat materiaal dat alleen Matteüs gebruikt, of alleen Lucas. Denk bijvoorbeeld aan de gelijkenis van de verloren zoon, of de betrokkenheid van Herodes Antipas bij de veroordeling van Jezus. En ook dat eigen materiaal van Lucas is oud: het toont de nodige Aramese invloeden die we niet zien als Lucas zelf aan het woord is.

Velen denken dat Lucas onafhankelijk schrijft van Matteüs. Maar kan het toeval zijn dat Lucas hetzelfde recept gebruikt als Matteüs? Is het niet mogelijk dat hij Matteüs zelf ook gelezen dan wel gehoord heeft? Wat verklaart de overeenkomsten het beste en wat verklaart de verschillen? We zagen al dat Lucas de voorspellingen over de eindtijd anders verwoordt in het licht van de gebeurtenissen na de val van Jeruzalem. Daarnaast heeft hij ook andere geboorteverhalen en een andere afstammingslijst (helemaal tot Adam). Hij volgt Matteüs niet in het hergroeperen van de spreuken van Jezus en lijkt ze soms wat vrijer te citeren. Hij volgt de verhaallijn van Marcus strakker maar laat wel een paar stukken weg – of gebruikt een kortere versie. Was dat omdat hij het Evangelie naar Matteüs niet tot zijn beschikking had toen hij schreef? Of zag hij de geboorteverhalen van Matteüs als een soort artistieke vrijheid? Of was het dat zijn toch al lange werk met die verhalen erbij te vol en te warrig zou worden?

Ook leren we iets over de spreuken van Jezus: Lucas lijkt bij de gesprekken en toespraken van Petrus en Paulus veel meer vrijheid te nemen (zoals bij geschiedschrijvers in de oudheid gebruikelijk was), dan bij Jezus. Net als Matteüs werkt Lucas dus met een gezaghebbende verzameling van spreuken waaraan hij niet teveel kan of wil afwijken.

Als je de drie evangeliën naast elkaar legt ziet allereerst dat ze veel op elkaar lijken en daarmee suggereren dat er al redelijk betrouwbare overleveringen waren van Jezus’ woorden en daden, precies wat Lucas schrijft in zijn voorwoord aan Theofilus. Daarnaast kan Lucas bij het herschrijven al subtiel enkele accenten te leggen op het werk van de Heilige Geest en de toekomstige missie onder de volken die hij zal uitwerken in de Handelingen. En tenslotte kan hij door het uitgeven van een tweedelig werk met een vergelijkbare structuur laten zien dat de missie onder de volken voortkomt uit hetzelfde evangelie van Jezus en dat één Heilige Geest beide verhalen drijft.


Opmerking voor gesprekskringen: Het leesmateriaal (het Evangelie en de Handelingen!) voor dit hoofdstuk is erg lang. Je zou de bespreking ervan hier in tweeën kunnen splitsen.

Vergelijking met Paulus

Wie de Handelingen met de brieven van Paulus vergelijkt zoals we die in dit boek besproken hebben ziet twee dingen. Allereerst is er best een grote overeenkomst in het reisschema van Paulus, al vereenvoudigt Lucas dit hier en daar (zoals hij ook met de reizen van Jezus naar Jeruzalem doet). Maar daarnaast is er een enorm verschil: in de brieven draait het om het grote conflict tussen de apostelen over de heidenen en de naleving van de wet, maar in de Handelingen is er juist sprake van goede samenwerking en harmonie tussen Jacobus, Petrus en Paulus. Sommige theologen vinden dit verschil zo groot dat ze niet kunnen geloven dat Lucas een reisgenoot van Paulus was. Anderen denken zelfs dat hij de brieven niet kende. Maar dat spoort weer niet met zijn goede kennis van Paulus’ reizen. Bovendien weten we dat de brieven aan de Galaten, Korintiërs en Romeinen al vroeg circuleerden. Laten we er daarom van uitgaan dat Lucas bewust afweek van Paulus.

Vergelijk zijn verslag dan eens met de brief aan de Galaten. Ze hebben elk hun eigen retoriek en je moet per punt nadenken waarom ze schrijven zoals ze doen:

  • Lucas zwijgt over het grote conflict tussen Petrus en Paulus in Antiochië, Paulus wijdt er een hele brief aan.
  • Paulus zegt dat alleen hij en Barnabas apostelen voor de volken zijn, maar Lucas zegt dat God Petrus daarvoor als eerste had uitgekozen en dat Paulus steeds eerst in de synagoge begon voor hij zich tot de niet-Joden richtte.
  • Lucas meldt dat Paulus een brief uit Jeruzalem over onder meer het eten van offervlees moest doorgeven aan de volken, Paulus zegt dat ze alleen ‘de armen’ niet moesten vergeten.
  • Paulus benadrukt dat hij Titus niet hoefde te besnijden, maar Lucas vertelt dat Paulus uit eigen beweging besloot om Timoteüs te besnijden omdat die een Joodse moeder had.
  • Paulus probeert zoveel mogelijk afstand en tijd (wel zeventien jaar als je zijn retoriek niet kritisch leest) te scheppen tussen hem en de apostelen omdat hij het met hen oneens is en hun gezag over hem en ‘zijn’ gemeenten niet wil aanvaarden. Lucas benadrukt juist de overeenstemming tussen Paulus, Petrus en Jacobus, om daarmee aan te tonen dat de missie onder de volken van meet af aan gesteund was door alle apostelen.

Het is best mogelijk dat veel Joodse volgelingen van Jezus in Israël al lang gehoord hadden van de brief aan de Galaten en dat zij Paulus veroordeelden voor zijn kritiek daarin op de wet, de besnijdenis en de engelen en voor zijn laatdunkend spreken over de apostelen en de gezanten van Jacobus. Paulus schreef immers scherper dan hij sprak (zie ook 2Kor 10:10). Misschien is het daarom dat Lucas Paulus niet als de controversiële briefschrijver belicht maar als de onvermoeibare reiziger voor het Evangelie. Lucas moet Paulus voor hen acceptabel maken en tot drie keer toe vertelt hij hoe Jezus zelf Paulus geroepen en veranderd heeft. Sterker nog, als Paulus zich in Jeruzalem meldt bij Jakobus, laat Lucas Jacobus de beschuldigingen benoemen dat hij de Joden onder de volken zou leren om zich niet aan de Wet van Mozes te houden en hun kinderen niet te laten besnijden. Jacobus gaat er vervolgens vanuit dat die beschuldiging onterecht is. Hij stelt voor dat Paulus zijn wetsgetrouwheid zichtbaar laat zien aan alle mensen en Paulus stemt daar zonder problemen mee in. Als de brief aan de Filippenzen inderdaad wijst op het getuigenis van Joodse volgelingen van Jezus tegen Paulus in Rome, dan past het bij Lucas’ doel om juist vóór die rechtszaak zijn verhaal te eindigen.

Wat zou Lucas hebben willen bereiken?

Als we alles overzien dan past het schrijven van het Evangelie naar Lucas en de Handelingen perfect rond het jaar 80 wanneer Joodse gelovigen uit Israël zich voegen bij de gemengde gemeenten rondom de Middellandse Zee. Zij brengen hun twijfels over die ‘tweederangs apostel’ en diens missie onder de volken met zich mee. Door hun gezag maken ze mensen als Theofilus onzeker: “Klopt het wel ik van Paulus heb geleerd? Was hij wel betrouwbaar?”

De kern van de beschuldiging klinkt zoals gezegd in Hand 21:18-25: 

De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie alle oudsten waren samengekomen. Nadat Paulus hen begroet had, vertelde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn verkondigingswerk onder de heidenen tot stand had gebracht. Toen ze dat hoorden, prezen en eerden ze God en zeiden:

‘Je hebt kunnen zien, broeder, dat ook vele duizenden Joden het geloof hebben aanvaard, en allen leven vol overtuiging volgens de wet.
Nu is hun verteld dat jij de Joden die onder de heidenen wonen aanspoort tot ontrouw aan Mozes; je zou beweren dat ze hun kinderen niet hoeven te besnijden en dat ze zich niet aan de voorschriften hoeven te houden. 

Hoe weerleggen we dit? Ze zullen ongetwijfeld horen van je komst. Doe daarom wat wij je zeggen. Er zijn bij ons vier mannen die een gelofte hebben afgelegd. Neem hen met je mee, laat je samen met hen reinigen en betaal voor hen de kosten van de offers, waarna ze hun haar kunnen laten afscheren. Dan zal iedereen inzien dat de verhalen die over jou worden verteld onwaar zijn, en dat ook jij doet wat de wet voorschrijft.

Wat betreft de heidenen die het geloof hebben aanvaard, hen hebben we schriftelijk op de hoogte gesteld van onze beslissing dat ze zich in acht moeten nemen voor vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, voor bloed, voor vlees waar nog bloed in zit, en voor ontucht.’

Om de dreigende breuk te voorkomen schrijft Lucas zijn levenswerk. Hij laat aan de gemeenten van Klein-Azië, Macedonië en Achaje zien dat hun evangelie hetzelfde evangelie is en dat de missie onder de volken teruggaat op Petrus in Hand 10. De Heilige Geest zelf laat hem daar in een visioen zien dat hij onrein voedsel mag eten en omgang met heidenen kan hebben, wanneer God hen aanneemt. Lucas herstelt in zijn schrijven het compromis dat hij Jakobus in Hand 15 laat verwoorden: de heidenen worden als heidenen gered en de Joden blijven trouw aan de Wet van Mozes. Voor de koosjere omgang met Joden moeten de heidenen zich aan vier minimumeisen houden: geen afgodsvlees, bloed, verstikte dieren en ontucht.” Dat standpunt is in de jaren 80 nog nodig om de harmonie te bewaren, maar zal binnen enkele decennia verdwijnen in een beweging die steeds meer gaat bestaan uit niet-Joden. Maar vooralsnog maakt Lucas Paulus eerst minder aanstootgevend voor de Joodse gelovigen, zodat ze hem met andere ogen kunnen lezen. Hij troost hen in hun teleurstelling dat de Heer nog niet teruggekomen is. En hij biedt ze nieuw perspectief: bekijk wat er gebeurd is nu eens van boven. Zie het waaien van de Geest over de aarde.

Heilige Geest

Het woord ‘geest’ in het Nieuwe Testament wordt niet in zijn Griekse betekenis gebruikt. In de Aramese wereld beschrijft deze term tal van infecties, virussen en geestelijke stoornissen. Het vroege Evangelie naar Marcus heeft het dan ook 15 keer over onreine geesten en maar 5 keer over de Heilige Geest van God. Bij Matteüs is dat andersom: hij heeft het wel 12 keer over de Heilige Geest. Lucas gaat nog verder: in het Evangelie spreekt hij 17 keer over de Heilige Geest en in de Handelingen wel 56 keer. Daar spreekt de Geest tot en in de gelovigen en stort zich over hen uit. De Geest openbaart zich in dromen en geeft inzicht. De Geest drijft hen aan tot actie of houdt hen tegen.

Sterker nog, de Geest ís Jezus. In de Wet en de Profeten is zij de Geest van God die de profeten inspireert (het woord Geest is vrouwelijk in het Hebreeuws en onzijdig in het Grieks), maar in het evangelie is de Geest ‘vlees en bloed’ geworden in Jezus. Lucas laat dat de lezer zien wanneer de hoogzwanger Elizabeth de zwangere Maria groet. Elizabeth spreekt vervuld van de Geest van de Heer, maar Maria is de moeder van de Heer zelf. En na Pinksteren stort Jezus de Geest uit. Zo spreekt en geneest hij nog steeds door de Geest. Door de Geest openbaart Jezus zich aan Paulus. Hij is ‘levendmakende geest’ geworden (1Kor 15:45), zodat Paulus en Lucas geen verschil meer maken tussen Gods Geest en de Geest van Christus (Rom 8:9, Hand 16:7). Jezus is de personificatie van God geworden. Dat zie je ook prachtig bij de stervensscenes. Aan het kruis roept Jezus: “Vader in uw handen beveel ik mijn geest” en na Pinksteren roept Stefanus: “Here Jezus, ontvang mijn geest.”

Wie er op let bij het lezen van Hand 8-15 ziet dat Lucas de Heilige Geest in beeld brengt als de drijvende kracht die de apostelen er stap-voor-stap toe brengt om ook de Samaritanen en de heidenen het evangelie te brengen. Vooral de droom van Petrus is cruciaal: de Heilige Geest kan koosjer verklaren wat de Joden tot dan toe voor onrein hielden. Het is de Heilige Geest die Petrus’ niet-Joodse luisteraars vervult en hen zo rein verklaart. De Heilige Geest stuurt Barnabas en Paulus naar de volken en de heilige Geest brengt Petrus en Jacobus tot het oordeel dat de niet-Joodse gelovigen gered zijn zonder zich eerst tot het Jodendom en de wet van Mozes te bekeren.

Hoe vond je dit hoofdstuk?

Met jullie scores kijken we welke hoofdstukken verbeterd moeten worden. Heb je daar concrete ideeën over, stuur dan een e-mail.

Rating: 5 sterren
1 stem

Praat mee

Ga vanaf hier naar de suggesties voor geïnteresseerden, voor geloofsgroepen of voor theologen. Of lees eerst nog even verder voor wat achtergrondinformatie.

Achtergrond: Lucas en de politici

Veel mensen weten het niet, maar alle jaartallen over Jezus en Paulus die je in de geschiedenisboeken of op wikipedia leest zijn afhankelijk van het Evangelie naar Lucas. De andere delen van het Nieuwe Testament zijn gewoon niet precies genoeg om tot een datering te komen. Zie hier voor een overzicht.

Van alle schrijvers in het Nieuwe Testament is alleen Lucas consequent geïnteresseerd in politici en de gebieden die ze bestuurden. Zij waren voor zijn publiek in de eerste eeuw ook uit andere bronnen bekend. Velen lieten munten en inscripties na en werden genoemd in geschiedenissen. De lezers van Lucas konden zo de verhalen over Jezus en de apostelen plaatsen in het raamwerk van hun eigen geschiedenis.

Een solide setting wil nog niet zeggen dat Lucas' verhalen over Jezus en Paulus historisch en chronologisch betrouwbaar zijn. De meeste historici gaan, op basis van Matteüs, uit van een geboorte van Jezus ten tijde van Herodes de Grote, de koning van heel Israël. 

Lucas zou dan een fout gemaakt hebben door deze te koppelen aan de volkstelling van het jaar 6 onder gouverneur Quirinius. Maar klopt dat wel? Juist Matteüs was een kunstenaar, zoals we in het vorige hoofdstuk zagen. Het past bij Matteüs om de geboorte van Jezus symbolisch te plaatsen onder 'Farao' Herodes. Lucas kan met zijn verwijzing naar Herodes ook doelen op zijn opvolger Archelaüs, die als ‘Herodes de Ethnarch’ (zo heet hij op zijn munten) alleen over Judea regeerde. De reis van Archelaüs naar keizer Augustus in Rome lijkt achter de gelijkenis van de koning te liggen in Lucas 19:11-27. Lucas weet ook dat de volkstelling van Quirinius samenviel met de opstand van Judas de Galileër (Hand. 5:37), toen de Ethnarch afgezet werd en Judea een Romeinse provincie werd. Een (klein)zoon van Judas speelde een belangrijke rol bij de uitbraak van de Joodse Oorlog in het jaar 66, ongetwijfeld bekend bij Lucas en een belangrijk deel van zijn publiek.

Als we Lucas en Handelingen lezen zónder het Evangelie naar Matteüs, als we ons alleen afvragen welke chronologie Lucas zelf hanteerde, dan moeten we uitgaan van wat hij zelf schreef: volgens  Lucas werd Jezus geboren onder Quirinius (het jaar 6) en trad hij op onder Pilatus toen hij ongeveer 30 jaar oud was. Het boek Handelingen begint dan tegen of in het jaar 36.

Reizen op zee. © Balage Balogh, Archaeology Illustrated. 

Om te onthouden: Gedreven door de Geest, rond het jaar 80.

In het jaar 70 verwoestten de Romeinen Jeruzalem en de tempel van God, en de Heer greep niet in. Jezus was niet teruggekomen. Honderdduizenden Joden stierven in deze oorlog. Honderdduizenden ook vluchtten voor het oorlogsgeweld of werden als slaven afgevoerd door de Romeinen. De zegevierende Vespasianus werd de nieuwe keizer van Rome en liet het Colosseum bouwen uit de opbrengst van de plundering. Veel volgelingen van Jezus uit Israël zullen zich aangesloten hebben bij de gemeente rondom de Middellandse Zee. En zo laait de oude discussie tussen de inmiddels overleden Paulus en Jakobus weer op: hoe kunnen Joden en niet-Joden samen een gemeente vormen? En hoe moeten de volgelingen van Paulus hierop reageren? Het antwoord klinkt in een anoniem tweeluik, dat een kwart van het Nieuwe Testament beslaat.

  • Met het Evangelie van Lucas laat de schrijver zien dat zijn fundament hetzelfde evangelie is dat ook Marcus en Matteüs beschrijven, zij het dat de schrijver de verhaallijn van Marcus trouw blijft maar daaraan ook eigen materiaal toevoegt. Hij gebruikt daarbij dezelfde spreukenbron als Matteüs maar verspreid de spreuken meer door het verhaal heen. Wel is het Evangelie van Lucas duidelijk na de val van Jeruzalem geschreven: in plaats van het ‘terstond’ van Matteüs lezen we dat de Romeinen er ‘tijden’ lang over zullen heersen voordat de Heer terugkomt.
  • Om te onderzoeken waarom dit geschreven werd, kun je de Handelingen van de Apostelen vergelijken met de brief aan de Galaten. Waar Paulus zichzelf presenteert als de apostel (zendeling) van de volken, benadrukt de schrijver dat dit al bij Petrus begonnen is. Terwijl Paulus benadrukt dat de Griekse Titus niet besneden hoefde te worden, vertelt de schrijver dat Paulus eigenhandig de Joodse Timoteüs besneed. Waar Paulus de besnijdenis zelfs voor Joden overbodig vindt, presenteert schrijver aan zowel de wetsgetrouwe Joden als de niet-Joden het compromis: ze kunnen een gemeenschap vormen als ze maar geen ontucht plegen en geen vlees eten dat dat afkomstig is van afgodenoffers. Waar apostelen botsen, benadrukt de schrijver de rol van de Heilige Geest die alle apostelen voortdrijft.

De schrijver presenteert zichzelf als iemand die een deel van het tweede verhaal zelf meegemaakt heeft en die voor het eerste verhaal nauwkeurig navraag gedaan heeft bij de mensen van het eerste uur, de ‘mensen van Weg’ noemt hij ze. Veel verwijzingen naar plaatsen en bestuurders zijn verrassend gedetailleerd en accuraat. Al snel hebben lezers gedacht aan Lucas, een dokter uit Antiochië. Hij zou gestorven zijn in het Griekse Boeotië of Bithynië in Klein-Azië. Een rondreizende volgeling van de apostelen die zelf Jezus nooit ontmoet had. Zo iemand moet het wel geweest zijn om dit te kunnen schrijven.